Beroep besluit B&W verlening omgevingsvergunning Bos

Aan de Rechtbank Limburg,

Betreft: beroep inzake het besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Weert om de omgevingsvergunning met planidentificatienummer NL.IMRO.0988.PBBosontwikkeling-VA01 te verlenen.

Datum besluit 29 sept 2020 (bijlage 1) gepubliceerd 7 okt 2020, ter inzage gelegd vanaf 8 okt t/m 19 nov. 2020, (bijlage 2)

Onderdeel van dit besluit is het besluit van de gemeenteraad van 23 sept 2020 over het afgeven van een ‘verklaring van geen bedenkingen’ (bijlage 3 en 4)

Publicatie Overheid.nl: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2020-257772.html

 

Personalia en verdere gegevens:

Drs. Frans J.F. Smit

Delbroekweg 3

6006 VA Weert (Altweerterheide)

tel: 0495 51 82 80

e-mail: frans.smit@hetnet.nl

Mede namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid.

Datum: 18-11-2020

 

Edelachtbare

Bij deze stel ik beroep in tegen het besluit, c.q. de besluiten zoals genomen door B&W en Gemeenteraad van Weert ten dage van resp. 29 sept en 23 sept 2020, zoals bovengenoemd.

 

Positie als belanghebbende.

Ten aanzien van het besluit ontwerp omgevingsvergunning ‘Bosontwikkeling’ met identificatienummer NL.IMRO.0988.PBBosontwikkeling-ON01 heb ik een zienswijze ingediend. Deze zienswijze dient als herhaald en ingelast bij dit beroep te worden beschouwd (bijlage 5)

Mijn positie als persoonlijk belanghebbende vloeit voort uit mijn woonadres, kadastraal AH 180 en 181. Verschillende percelen van het plan grenzen bijna direct aan het perceel van mijn woonadres. Het betreft de percelen AH 164 en AH 165, met daarop aansluitend AH 145 en verder. Bosaanplant zal een uitstraling hebben op mijn woonadres in de zin van belemmering van het vrije uitzicht op het Wijffelterbroek, windkering, schaduwwerking en mogelijk bosbrandgevaar (bijlage 6, kaart).

De zienswijze is mede ingediend namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid. Ook dit beroep dien ik in mede namens deze werkgroep. Aangezien onze werkgroep nog geen formele status heeft als stichting, ga ik in een aparte bijlage met verschillende sub bijlagen in op de positie van de werkgroep. (bijlage 20)

 

Doel van het beroep.

Het uiteindelijke doel van het beroep is om binnen de contouren van voorliggend plan te komen tot een meer hoogwaardige natuur- en bosontwikkeling dan voortvloeit uit dit plan.

                                                                                                                                                                                       blz. 1

Over de doelstellingen van voorliggend plan.

Het voorliggende bosontwikkelingsplan kent een viertal doelstellingen: een klimaatdoelstelling, een natuur- en bosdoelstelling, een cultuurhistorische doelstelling en een recreatieve doelstelling. Het is zaak een evenwicht te vinden tussen deze doelstellingen. In het plan lijkt er te weinig gezocht naar een goed evenwicht. Op vele fronten worden te veel waarden toegedicht aan bos.

Voor wat betreft het klimaat en opname van CO2 opname uit de atmosfeer is het waarschijnlijk dat ook andere vormen van natuur hoge CO2 opnamedoelstellingen kunnen behalen. Bos haalt inderdaad (1) CO2 uit de lucht en (2) slaat het op in zijn hout en in de strooisellaag. Echter (3), na verloop van een aantal jaren wordt de hoeveelheid CO2 die opgeslagen wordt steeds minder. Wezenlijk bij CO2 opslag is (4): de tijdsduur waarin het opgeslagen blijft. Bij bos is dat redelijk lang, echter niet zo lang dat dit ook maar enigszins vergelijkbaar is met permanente opslag (fossiele opslag).

Naast bos zijn er meerdere typen natuur die CO2 voor een redelijke termijn opslaan. Met name worden door veenvorming in moerassen, pelen, natte heides en hoogvenen redelijke hoeveelheden CO2 vastgelegd en opgeslagen. Indien venen niet verdrogen is hun opslag capaciteit groter en langduriger dan hout. De opslagsnelheid is waarschijnlijk lager, maar zonder verdroging langduriger, vergelijkbaar met fossiel. Onderzoek en vergelijkend onderzoek van deze processen zijn echter nog steeds gaande (bijlage 8)

Moerassen, pelen en natte heides zijn natuurdoeltypen die op verschillende van de voorliggende percelen realiseerbaar zijn. In het voorliggend plan wordt echter alleen uitgegaan van de relatie tussen klimaatdoelstelling en bos. Politiek gezien is het plan sympathiek. Bij het landen van de doelstelling zal echter zeker gekeken moeten worden of bosaanplant de meest voor de hand liggende klimaatmaatregel ter plekke is. Dit is niet gebeurd. Het is mijn mening dat dit aspect bekeken had moeten worden.

Ten aanzien van de natuurdoelstelling zou in principe gezocht moeten worden naar die vormen van natuur die de hoogste natuurwaarden genereren. De achtergrond hiervan is tweeledig. Het gaat niet goed met de natuur, alle zeilen moeten bijgezet worden om het tij te doen keren. Ook wordt natuur gerealiseerd met gemeenschapsgeld. De maatschappij mag verwachten dat het geld dan ook zo optimaal mogelijk besteed wordt.

Bij het voorliggende plan is de natuurdoelstelling niet onderzocht op het creëren van hoogwaardige natuur. Er wordt vanuit gegaan dat bos hoogwaardige natuur is zonder dat dit wordt aangetoond. In de quick-scan wordt slechts gekeken naar de impact van de beplantingsactiviteit op waargenomen beschermde soorten. Ik acht dit een te beperkte invulling van een quick-scan.

Hoogwaardige natuur is niet alleen af te meten aan de hoogte van de optelsom van soorten, ze hangt ook samen met de bijzonderheid van soorten. Vandaag aan de dag zou vooral beoordeeld moeten worden op de hoeveelheid soorten die met uitsterven bedreigd worden, de zogenaamde Rode Lijst soorten.

Vooral de mate waarin soorten of habitats voorkomen die op de Natura 2000 lijsten staan, zou een criterium moeten zijn. Deze soorten zijn vanwege hun zeldzaamheid en achteruitgang op Europees nivo uitgeselecteerd. Het voorkomen op de N2000 lijst voor Nederland is bovendien een goed uitgangspunt omdat het behalen van de N2000 doelstellingen een doel is dat landelijk gehaald moet worden. Waaruit volgt dat het in gunstige staat van instandhouding houden of brengen van soorten en habitats ook buiten de N2000 gebieden een beleidsinspanning vergt. (bijlage 9).

Naast deze wenselijkheid is het ook een verplichting om ten aanzien van het voorliggende plan de N2000 context in ogenschouw te nemen. Een aantal percelen grenst direct, andere percelen indirect aan de Laurabossen. De Laurabossen zijn onderdeel van het N2000 gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Omdat bosontwikkeling een verandering van habitat veroorzaakt, zal gekeken moeten worden wat de externe werking is op de soorten en de habitats van dit N2000 gebied. Dit is niet gebeurd, hetgeen een wezenlijk punt is.

                                                                                                                                                                                    blz  2

In relatie tot N2000 waarden en Rode Lijst waarden is het niet waarschijnlijk dat bos de suggestie van hoogwaardige natuur waar zal kunnen maken. De meest hoogwaardige natuur komt immers voor op plekken met daarvoor optimale abiotische omstandigheden. Op de plekken waar nu het bos gepland wordt, heeft zeker al duizenden jaren geen bos gegroeid. Zelfs als de heide ontstaan of uitgebreid zou zijn door menselijke invloeden, blijft het een feit dat bijbehorende ecologische evenwichten zich in die loop der duizenden jaren ontwikkeld hebben. Iets dat gekoesterd zou moeten worden. (zie de kaarten van 1870 en 1903 op blz. 47 en 48 van het Advies archeologie, en, als bijlage 10, het historische onderzoek van Marieke Doorenbosch).

Dit aspect is ten onrechte niet meegenomen in het voorliggend bosontwikkelingsplan.

(In mijn zienswijze ga ik dieper in op de consequenties op soortniveau en N2000 soortniveau (bijlage 5).

Bijlage 20.7.2 geeft een inventarisatielijst van vogels op het aanliggende Delbroek. Deze tont de vogels van open gebieden, waaronder de N2000 soorten Boomleeuwerik en Roodborsttapuit).

 

Daarmee zijn we vanuit de natuurhistorische doelstelling in de cultuurhistorische doelstelling gekomen. Het woord natuurhistorisch mag overigens in de context met cultuurhistorie mede opgevat worden als de geschiedenis van de natuur. De oorspronkelijke betekenis van het woord is veel ruimer. Het omhelst dan, vrij geïnterpreteerd, de abiotische factoren die een bepalende rol speelden en nog steeds spelen in relatie tot de levende natuur, zoals de natuurkundige, chemische, geologische en de aardkundige processen.

Het begrip cultuurhistorie kan gedefinieerd worden als: het totaal aan sporen van menselijke activiteiten van vóór het moment waarop die activiteiten verouderd zijn geraakt. Cultuurhistorie begint dus al in de prehistorie en loopt door tot vrij recente tijden, tot in ‘grootmoeders tijd’ en soms nog recenter.

Cultuurhistorie wordt door de makers van voorliggend rapport echter beperkt tot de archeologie: de sporen van menselijke activiteiten die door opgravingen worden gevonden.

Mensen hebben echter ook hun sporen nagelaten in het landschap zelf, en daarom mogen/moeten deze bewaard blijven. Vanuit natuurhistorisch oogpunt is daar geen bezwaar tegen. Integendeel vaak. Door de aard van hun (hand)werktuigen in de tijd voor de industriële revolutie en door de beperktheid aan beschikbare menskracht waardoor de veranderingen zich in een rustig tempo voltrokken, hebben veranderingen veelal in redelijk evenwicht met de natuur plaatsgevonden. Vele bijzondere soorten hebben door menselijke handelingen uit het verleden hun kans gekregen. Zo hebben de mensen vele duizenden jaren lang hun heidevelden onderhouden. Kleine stukjes ervan werden ontgonnen, houtwallen werden aangelegd enz. Deze sporen zien we graag terug, niet alleen als relicten, maar als levensvatbare natuur. Vele van deze vormen van natuur zijn opgenomen als N2000 habitat, en Weert heeft er veel van. Ten aanzien van de hydrologie zijn we iets minder positief over de ingrepen uit het verleden. Waaruit blijkt dat we ook de cultuurhistorie moeten beoordelen aan de hand van criteria voor hoogwaardige natuur.

In het voorliggende plan heeft men, behalve aan de archeologie, aan de cultuurhistorie van het landschap geen aandacht besteed. Dit zou alsnog moeten gebeuren.

De laatste doelstelling die een rol speelt in de wens voor bosontwikkeling is de recreatieve doelstelling. Aan bos wordt meestal een hoge belevingswaarde toegekend en daarmede ook een grote recreatieve waarde. Mogelijk vanwege de emoties die bomen regelmatig oproepen, wordt de waarde van bossen vaak overschat bij beleidsmakers, bomenliefhebbers en boswachters. Over voorkeuren van mensen t.a.v. soorten natuur zijn echter redelijk veel onderzoeken gedaan, met allemaal een redelijk eenduidige uitkomst. Bossen blijken inderdaad op een hoge waardering te kunnen rekenen, maar open gebieden zoals heide en natuurlijk grasland worden nog meer gewaardeerd!  Een van de meest gedegen onderzoeken op dit gebied is het onderzoek HappyHier dat in opdracht van het Planbureau voor de Leefomgeving is uitgevoerd door de Universiteit van Wageningen (bijlage 11).

Bedoeld belevingsaspect had zeker meegenomen moeten worden in het voorliggende plan.

Als tussentijdse conclusie mag gesteld worden dat in het rapport de eigen doelstellingen niet onderbouwd worden. Pogingen daartoe zouden waarschijnlijk tot een geheel ander inrichtingsplan hebben geleid.

                                                                                                                                                                                            blz 3              

Het ontbreken van een onderzoek naar de externe werking op het aanliggende N2000 gebied is op zichzelf al voldoende argument om tot een nieuw inrichtingsplan te komen.

Procedureel: 

- op 8 juni 2020 heeft Vereniging Natuurmonumenten een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

- ongedateerd, maar waarschijnlijk 21 juni 2020, heeft B&W van Weert daarover een ontwerp besluit genomen.

- 26 juli 2020 heeft ondergetekende mede namens de Ecologisch Werkgroep Weert Zuid een zienswijze ingediend ten aanzien van dit ontwerp besluit (bijlage 5).

- ongedateerd, maar waarschijnlijk 25 aug. 2020, heeft B&W een raadsvoorstel ingediend, waarin opgenomen samenvattingen van de zienswijzen en de overwegingen daarop.

- gedateerd 2 sept heeft ondergetekende het raadsvoorstel waarin de reacties op de zienswijzen per post ontvangen.

- op 9 sept 2020 heeft ondergetekende gebruik gemaakt van zijn inspreekrecht bij de Raadscommissie Ruimte en Economie (bijlage 12). Besloten is toen dat de aanvraag een bespreekstuk in de Raadsvergadering zou worden.

- op 15 september was ondergetekende op uitnodiging van de CDA fractie Weert aanwezig bij een rondleiding voor raadsleden langs de percelen in kwestie, en heb ik mijn standpunten kunnen toelichten.

- op 22 sept. is op vraag van fractie Duijsters de archeologische waardenkaart, waaraan als ondertitel toegevoegd ‘cultuurhistorische waardenkaart’, gepubliceerd (voorheen niet beschikbaar) (bijlage 18).

- op 23 september heeft de gemeenteraad het raadsvoorstel behandeld en goedgekeurd. (bijlage 3 en 4)

- 29 sept is het besluit omgevingsvergunning ondertekend namens B&W door Raymond Blondel, hoofd van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (bijlage 1). Onderdeel van het besluit is het raadsvoorstel ‘met het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen in te stemmen’, ondertekend door mevr. Meertens, secretaris, en de burgemeester, mevr. Leppink-Schuitema. Het raadsbesluit, zijnde het gewijzigde raadsvoorstel, is 23 september ondertekend door de de griffier, mevr. Wolfs-Corten  en burgemeester mevr. Leppink-Schuitema. Het gewijzigde beslispunt betreft de provinciale subsidie.

- op 7 oktober is het besluit van 29 sept gepubliceerd (bijlage 2)

- ook op 7 okt 2020 heb ik aangetekend de reactie op mijn zienswijze ontvangen. Hierin wordt melding gemaakt van aandachtspunten zoals door de raad geformuleerd in relatie tot het afgeven van geen bedenkingen. (bijlage 13, kopie) Als bijlage bij deze reactie ontving ik het B&W besluit van 29 sept (bijlage 1) inclusief het raadsvoorstel en het raadsbesluit t.a.v. de verklaring van geen bedenkingen (bijlage 3). Daarnaast ontving ik de archeologische waardenkaart.

Bij het raadsbesluit ontbrak pagina 12, waarop de duiding als, en de juridische fundering van het besluit.

- op 28 okt heb ik betreffende contactambtenaar daarover gemaild. Nog diezelfde dag kreeg ik het ongetekende exemplaar, geoormerkt als raadsbesluit, maar is in feite het concept raadsbesluit, inclusief pagina 12. (de mail als bijlage 14)

- op 4 nov. ontving ik per mail het volledige raadsbesluit (bijlage 4, de mail als bijlage 15)

- op de gemeenteraadsvergadering van 5 nov. 2020 is de verslaglegging van het besluit over de bosontwikkeling van 23 september goedgekeurd. (bijlage 16)

- volledigheidshalve: op 13 nov. ontving ik een mail van betreffende contactambtenaar. Opmerkelijk is de inbedding van te nemen stappen in besloten circuits als PIO (bijlage 17)

 

Procedureel ben ik van mening dat op enkele punten de besluitvormingsprocedure niet correct is verlopen. De juridische consequenties laat ik graag aan u ter beoordeling.

Het eerste punt is de gang van zake ten aanzien van de ondertekening van het definitieve raadsbesluit zoals door mij ontvangen als reactie op de ingediende zienswijze:

                                                                                                                                                                                           blz 4

Zoals in bovenstaande aangegeven ontving ik deze per aangetekende post op 7 okt. Daarin ontbrak blz 12 van het raadsbesluit. Na hierover gecontact te hebben, ontving ik in eerste instantie het concept raadsbesluit, en in tweede instantie op 4 nov. het volledige raadsbesluit ondertekend. Hoewel ik anders had verwacht, bleek dit niet af te wijken van het concept raadsbesluit.

Overigens staat bij de ruimtelijke plannen op moment van schrijven nog steeds de versie zonder blz 12. (https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0988.PBBosontwikkeling-VA01/d_NL.IMRO.0988.PBBosontwikkeling-VA01.pdf)

Bladzijde 12 is een belangrijke bladzijde omdat daarop de inhoud van het door de raad genomen besluit moest staan. Dat dit besluit uiteindelijk niet van het concept raadsvoorstel bleek af te wijken, doet niets af aan het feit dat dergelijke pagina’s niet mogen ontbreken in een besluit.

Ik had enige procedurele consequenties verwacht. Dit graag aan u ter beoordeling..

 

Op de tweede plaats vraagt de procedure rond de besluitvorming in de gemeenteraad ten aanzien van de noodzakelijke ‘verklaring van geen bedenkingen’ om nadere beschouwing.

De eerste opmerking die ik daarover wil maken is van algemene aard. Van de raadsvergaderingen in gemeente Weert worden geen verslagen/notulen gemaakt. Er wordt slechts een concept besluitenlijst gemaakt die in de eerstvolgende raadsvergadering ter goedkeuring wordt voorgelegd. De mogelijkheid voor eenieder om de vergadering op video te kunnen terugzien en/of op audio terug te kunnen luisteren, wordt beschouwd als voldoende verslaglegging. Ik acht dit bestuurstechnisch en democratisch een discutabele gang van zaken. Minimaal is het onvoldoende efficiënt t.a.v. het terughalen van processen en beweegredenen die al dan niet tot besluitvorming hebben geleid. 

Misschien kunt u uw licht laten schijnen op dit onderwerp.

Over de besluitvorming Bosontwikkeling is slechts schriftelijk vastgelegd dat er een teruggetrokken amendement, een geamendeerde motie, en een unaniem aanvaard amendement is geweest. Over de inhoud ervan wordt niets vermeld. (bijlage 16). Een dergelijke vastlegging lijkt mij een goed voorbeeld van onvoldoende vastlegging van een raadsbesluit.

In de reactie op mijn zienswijze van de hand van het hoofd van de afdeling Ruimte & Economie (bijlage 13) wordt ten aanzien van het plan echter wel vermeld dat er “door de raad aandachtspunten zijn geformuleerd, die overigens niet als voorwaarde in de vergunning kunnen worden opgenomen”. De formulering van het eerste aandachtspunt lijkt een ‘contradictio in terminis’: “er wordt een natuurinrichtingsplan gemaakt voor de gedeeltes die géén onderdeel zijn van de vergunning”. Deze onduidelijkheid werkt door naar de drie volgende punten: het opleggen van een verplichting tot actief en blijvend beheer in relatie tot de openheid van het landschap, de bestrijding van onkruiden, en het opleggen van een resultaatsverplichting. Onduidelijk is immers op welk gedeelte van het voorliggende plan bedoeld natuurinrichtingsplan betrekking heeft. Oftewel: als niet bekend is waar de eerste fase van de bosontwikkeling moet landen, is het ook niet bekend op welke gedeeltes de gewenste verplichtingen betrekking hebben. Het maken van plannen lijkt mij dan gewoon niet mogelijk.

Het valt echter te bezien of deze ambtelijke interpretatie de juiste is.

Mijns inziens heeft de gedachtenwisseling in de gemeenteraad een wezenlijk andere klemtoon gehad. Naast de noodzaak van beheer en verzorging van de aanplant, bleek het vooral de bedoeling van de gemeenteraad om het besluit over de bosaanplant in twee fasen op te splitsen. De reden hiervoor was, dat de eerste fase van de aanplant niet zou kunnen wachten vanwege financiering en geplande uitvoeringswerkzaamheden. Deze aanplant ter grootte van 10 hectaren zou volgens de raad kunnen plaatsvinden volgens het voorliggend inrichtingsplan. Voor de tweede 10 hectaren bleek het de wens dat er een nieuw inrichtingsplan zou komen. Alvorens tot uitvoering daarvan zou kunnen worden overgegaan, zou het plan aan de raad voorgelegd moeten worden. De raad sprak ook de verwachting uit, dat tegelijk met dit inrichtingsplan aan hen een beheerplan zal worden voorgelegd. Dit zowel voor de (tweede) aanplant van 10 ha, als voor de resterende 23 ha van de aangevraagde omgevingsvergunning (van 43 ha)

blz 5

Nogmaals, een en ander is niet opgenomen als toezegging, en er is ook geen verslag of notulen gemaakt. Als bijlage t.a.v. dit punt kan ik slechts de link geven naar de raadsvergadering van 23 september, agendapunt 19: https://gemeenteraad.weert.nl/Vergaderingen/Gemeenteraad/2020/23-september/19:30 

Mijns inziens waren duidelijk vastgelegde besluiten noodzakelijk geweest. Inrichtingsplannen zijn onderdeel van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Ten aanzien de eerste 10 hectares ligt er géén inrichtingsplan op tafel. Voor ligt slechts een globaal inrichtingsplan voor het totaal van 42,5 hectares. De bosaanplant wordt slecht als “sfeerimpressies” weergegeven (blz 18). Argument voor de beperking tot ‘sfeerimpressie’ zou zijn, dat de “percelen d.m.v. natuurlijke ontwikkeling vorm moeten krijgen, waardoor de uiteindelijk situatie anders zal worden”. Echter, het aanplanten van bomen is van een geheel andere orde dan een ‘natuurlijke ontwikkeling’. Het is een activiteit waarvoor een omlijnd plan ontworpen moet zijn. Een dergelijk plan is niet aangeleverd. Zodat de aanplant van de eerste 10 hectaren dan ook niet volgens een voorliggend inrichtingsplan kan plaatsvinden. Het is geen oplossing om dan maar de besluitvorming daarover vaag te houden, zodat er toch gestart kan worden met de aanplant.

De noodzaak van een gedetailleerd aanplantingsplan wordt ook duidelijk uit het aantal hectares bosaanplant dat uit het schetsplan naar voren komt. Met een zo nauwkeurig mogelijke schatting van de schetsen kom ik uit op 30 hectaren bos- en struweelaanplant. Als we de nummering van de percelen hanteren zoals weergegeven op blz 5 van het inrichtingsplan, dat is de schatting voor perceel 1 t/m 7: 21 ha bos, perceel 8: 5 ha bos, perceel 9: 1,5 ha bos, perceel 10+11: 1 ha bos, perceel 12: 1 ha bos, en perceel 13: 0,5 ha bos. Bij elkaar 30 ha bos. Zelfs voor een schets is een overschrijding van 50% ten aanzien een doelstelling van 20 hectaren veel te veel.

Anders gezegd: Het heeft geen pas om Vereniging Natuurmonumenten vergunningstechnisch alle vrijheid te geven om ergens op die 42,5 ha het eerste tiental hectares bos aan te laten planten. Om vervolgens ook niet in de vergunning vast te leggen hoe de resterende 32,5 ha moeten worden ingericht.

Een vraag die gesteld moet worden is, wat de merites is van het feit dat de gemeenteraad de aanplant opsplitst in twee fasen: 10 ha. aanplant nu op basis van een inrichtingsplan dat slechts een schets is en ook qua ruimtelijke onderbouwing dat stempel niet verdient, en van 10 ha pas na een nieuw inrichtingsplan. De raad lijkt daarmee in juridische zin te gaan voor een omgevingsplanvergunningverlening in twee fasen. Uit de grote vraagtekens die gesteld kunnen worden in relatie tot doelstellingen, en het lage niveau van Ruimtelijke onderbouwing, Inrichtingsplan en Quick-scan, mag immers geconcludeerd worden dat “de voorliggende aanvraag slechts betrekking heeft op de door de aanvrager aan te geven activiteiten” (WABO art 2.5.1.)

Voor de onderhavige situatie betekent dat mijns inziens, dat de omgevingsvergunning wel verleend kan worden, maar slechts op basis van nader aan te dragen ruimtelijke onderbouwing. Pas nadat hout snijdende inrichting- en beheerplannen daarvan onderdeel uitmaken, kan begonnen worden aan de uitvoering van de aanplant. Nu dus nog niet.

Ook dit punt graag aan u ter beoordeling.

 

De zienswijze

Op 26 juli heb ik een zienswijze ten aanzien van het besluit ontwerp omgevingsvisie ‘Bosontwikkeling’ ingediend.

Deze zienswijze dient in relatie tot dit beroep als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 

                                                                                                                                                                                          blz. 6

De zienswijze is indertijd bewust geschreven als zienswijze, dat wil zeggen als een stuk met aanbevelingen, aanvullingen en verbeterpunten, in de hoop en de verwachting dat er gebruik zou worden gemaakt van de ingebrachte kennis en meningen.

Het stuk is educatief en kritisch, echter met de duidelijke bedoeling om te komen tot inzichten en uitgangspunten die tot een beter plan voor de natuur zouden leiden.

Het stuk begint met het weergeven van een aantal kernpunten, die vertaald worden naar beleidslijnen en uitgangspunten voor inrichting en beheer (het schapenverhaal :-) Daarna worden de bij het ontwerp plan behorende stukken systematisch besproken; resp. de convenant van Gem. Weert met Vereniging Natuurmonumenten, de Ruimtelijke onderbouwing, de Ecologische quickscan en het Inrichtingsplan. De onderwerpen, veelal met conclusies, worden aangegeven met een bullet (streepje). In totaal zijn dat er ongeveer 35.

De reactie van gemeente Weert op mijn zienswijze was teleurstellend. Er werden geen reacties gegeven op gebied van de ingebrachte kennis en visies, laat staan dat er gebruik van is gemaakt om het plan aan te passen. Zelfs op het Natura 2000 aspect is niet gereageerd.

Doordat de door mij aangehouden behandeling per rapport werd verlaten, bleven veel punten buiten beschouwing; slechts 9 van de 35 aangegeven punten zijn behandeld. Daarbij lijkt er willekeurig geshopt uit de ingebrachte punten. Door het verlaten van de door mij gehanteerde volgorde bleef onzichtbaar dat de onderliggende rapporten in feite onvoldoende kwaliteit en diepgang hebben.

Volledigheidshalve hieronder mijn reactie op de reacties van de gemeente op mijn zienswijze.

1) In deze reactie wordt er vanuit gegaan dat er volgens plan 20 ha bos wordt aangeplant. Er wordt gesteld dat in de inrichtingsplannen is aangegeven welke delen beplant worden. Dit is echter onjuist, het inrichtingsplan bevat slechts een schets. In die schets wordt ongeveer 30 ha aan te planten bos ingetekend. In de tekst wordt bij elk perceel vermeld dat de ruimtes die niet worden aangeplant zich door mogen ontwikkelen naar bos. Het voorliggende plan handelt dus feitelijk om de ontwikkeling van ruim 40 ha bos. Er is dus geen ruimte voor ontwikkeling van andere natuurdoeltypen dan bos.

2) Gesteld wordt hier, dat “de aanleiding voor bosontwikkeling niet gezocht wordt vanuit natuurhistorisch en of cultuurhistorisch oogpunt”. Deze botheid is schrikbarend en flagrant in tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij natuurontwikkelingsplannen, waarbij altijd gekeken wordt naar deze aspecten.

Verder wordt gesteld dat de functiewijziging ertoe bijdraagt dat het landschap het historische beeld benaderd. Dit is onjuist. Het landschap raakt juist verder verwijderd van het historische beeld. Bij het inrichtingsplan zijn geen historische kaarten gevoegd, maar ik kan ter onderbouwing van mijn standpunt verwijzen naar de kaarten zoals opgenomen in de bijlage Archeologische Advies. Verder verwijs ik naar mijn reeds gemaakte opmerkingen over cultuurhistorie en mijn verwijzing naar het onderzoek van Marieke Doorenbosch (bijlage 10)

3) Bij de opmerking in de reactie dat de voorliggende grootschalige bosontwikkeling aansluit bij bestaande bos- en natuurgebieden zijn veel kanttekeningen te plaatsen. De aanwezigheid van bos in de omliggende natuurgebieden is het gevolg van vrij recent menselijk ingrijpen (eind 19e eeuw) om bestaande ‘woeste’ natuurgebieden rendabel te maken. De aanliggende Laurabossen zijn aangeplant op heides en zandverstuivingen ten behoeve van de vraag naar stuthout voor de Lauramijnen. Deze ontginningsbossen beschouwen we tegenwoordig als natuur.

Het aanliggende Wijffelterbroek heeft zich pas rond 1940 tot bos ontwikkeld toen de waterstand verlaagd werd door het graven van een afwatering, de Raam. Daarvoor was het open moeras. Ook dit gebied is rendabel gemaakt door het aanplanten van bomen als Populier, Es en Schietwilg. Alleen de Zwarte elzen zijn toen uit zichzelf gekomen.                                                                                                                                      

blz. 7.

Als reactie op het vestigen van nieuwe biotopen moet opgemerkt worden dat juist de oude biotopen erg waardevol waren, hetgeen ook blijkt uit het feit dat het N2000 biotopen zijn (Natura 2000 N2310, zandige heide met Struikhei en heidebrem, overgaand in N2000 91EO, Alluviale bossen met Zwarte els) . De potenties voorde hoogwaardige natuur zijn nog volop aanwezig. De geplande bosontwikkeling zal inderdaad nieuwe soorten en habitats opleveren. Dergelijk bos is echter bij lange na geen N2000 habitat en zal het ook nooit worden, evenmin als de bijbehorende soorten dat zijn of zullen worden.

Om het cryptisch te zeggen: er worden boompjes van de boomkwekerij geplant, in gecultiveerde agrarische grond, van soorten die er niet thuishoren en die de eerste drie tot vijf jaar van water voorzien moeten worden omdat ze het anders niet doen. En dat wordt dan vervolgens natuurontwikkeling genoemd….

Voortbordurend op de tamelijk recent nog aanwezige hoge waarden zou het juist het omgekeerde van bosaanplant aan te bevelen zijn:  de open gebieden met elkaar te verbinden door een doorgang te maken vanaf de Lauraheide naar de percelen AH1.

Met deze denkwijze wordt aangesloten bij eerdere rapporten die in opdracht van Vereniging Natuurmonumenten zijn gemaakt over deze gebieden. Bell Hullenaar 2015 heeft dit idee al gepropageerd. Royal Haskoning refereert aan hem en propageert het opener maken van de bossen. (bijlage 19)

De percelen AH1, AH190, AH 15, AH145, en AH145 en 164 zouden dan open gelaten moeten worden. Wat overigens aansluit bij het voorstel van Royal Haskoning om het gebied aan de Vetpeelweg (AH 6 en AH15) in relatie tot de N2000 uitbreidingsdoelstelling zwak gebufferde vennen te creëren (N2000 H3130)  (idem bijlage 19)

Enig bos zou in dit kader goed gerealiseerd kunnen worden in de vorm van houtwallen. De N2000 vogelsoorten van het N2000 gebied zouden daardoor versterkt worden (Nachtzwaluw, Boomleeuwerik, Roodborsttapuit) terwijl enkele uiterst bedreigde soorten hier recent nog talrijk waren zoals Wulp en Veldleeuwerik zich zouden kunnen herstellen.

Verder mag er in dit kader op gewezen worden, dat aansluiting bij de karakteristieke eigenschappen van het landschap, zoals ook bedoeld in het NOVI, dus juist de hoogste resultaten voor de natuur oplevert.

4) Hier wordt geen antwoord gegeven op mijn punt dat er niet getoetst wordt aan de consequenties van bosaanplant voor de soorten van het POL, het provinciaal Omgevingsplan Limburg. Wel wordt er opnieuw iets gezegd over bosontwikkeling die de basis legt voor nieuwe biotopen. Analyseren we het plantmateriaal zoals opgenomen in het inrichtingsplan, dan stellen we vast dat er veel soorten bomen op staan die in deze streken niet gebiedseigen zijn. Samen met de Ecologische Werkgroep Weert Zuid heb ik vele jaren de gebieden in deze streek uitputtend geïnventariseerd, waarbij we veel van de genoemde soorten nooit in het wild zijn tegengekomen. Aanplanten van dergelijke soorten is in feite een vorm van flora vervalsing, ook al komen ze niet uit Amerika, maar uit Zuid Limburg. En inderdaad, deze flora vervalsing brengt nieuwe biotopen met zich mee. Maar daar hoeven we niet blij mee te zijn.

5) In dit punt wordt gereageerd op de structuurvisie. Voor mijn reactie op punt 5 verwijs ik naar hetgeen ik gezegd heb in punt 1, 2, 3 en 4. Opgemerkt mag worden dat er nergens verwezen wordt naar de Weerter Natuur- en Landschapvisie, hetgeen te denken geeft in dit kader.

6) Over de cultuurhistorische waardenkaart heb ik bij de doelstellingen al opgemerkt dat de kaart die uiteindelijk is bijgevoegd in feite de archeologische waardenkaart is. Deze geeft de cultuurhistorie van het landschap niet weer.

Maar zelfs als we alleen kijken naar de intentie om de tracés van de Bocholterbeek en de Bocholterweg als cultuurhistorische elementen een gezicht te geven, dan is het niet aanplanten ervan toch wel heel erg minimalistisch. Dit omdat ze beide deel uitmaken van een belangrijk stuk oude geschiedenis van Weert, maar ook omdat het vervagen van een gedeelte van beide tracés in agrarisch gebied is kunnen gebeuren door een fout van gemeente Weert. Gemeente Weert heeft vervolgens geen enkele moeite gedaan om deze fout te herstellen of te mitigeren. Dit lijkt me een goede gelegenheid om dit alsnog te doen.

 blz. 8.

7) Dat er maatregelen genomen worden om drainagesystemen te verwijderen zou bij elke vorm van natuurontwikkeling gebeurd zijn. Het is dus geen specifieke activiteit voor bosontwikkeling. Dus is het een vreemde redenatie dat slechts in de context van bosontwikkeling spontane natuurontwikkeling tot stand kan komen. Bovendien zijn er geen kwelkaarten opgenomen in het inrichtingsplan en is ook niet duidelijk is waar de bosaanplant gaat landen.

Op mijn vraagtekens bij de (noodzaak van) sponswerking wordt niet ingegaan.

8) Dat een onderbouwing van de effecten van bosontwikkeling op de natuur ontbreekt wordt opnieuw beantwoord met een niet onderbouwde bewering, namelijk dat de effecten ruimschoots gecompenseerd worden door de verandering van intensief agrarisch gebruik naar natuur. Bovendien: zeker niet al het agrarisch gebruik was intensief. Veel weilanden werden extensief gebruikt voor het weiden van vleesvee, en waren erg belangrijk voor weide/heide vogels als wulpen (o.a. AH1, AH6, AH145) Sommige stukken zijn dat nog (AH1, AH6). Pas nadat ze in bezit kwamen van Stichting Ark werden ze verhuurd voor de maïsteelt (AH 145). Dag Wulpen enz.  

9) Klopt: bij de aanplant worden verschillende percentages t.a.v. soorten bomen voor de beplanting van droge en natte gebieden gehanteerd. Blijft natuurlijk een feit dat het ter plekke niet thuishoren van een soort niet afhankelijk is de aantallen die je aanplant.

 

Ik hoop voldoende argumenten te hebben aangedragen om in positieve zin op mijn beroep te kunnen beslissen.

Mocht ik nog tot enige voortschrijdende inzichten komen, dan behoud ik me daarvoor graag de mogelijkheid voor om deze in te dienen in het kader van ‘nader aan te geven gronden’.

Hoogachtend,

Drs. Frans J.F. Smit

18-11-2020

mede namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid

blz 9

Bijlagen

Bijlage 1  : Besluit omgevingsvergunning, 29 sept. 2020

Bijlage 2  : Publicatie Gewijzigd verleende omgevingsvergunning Bosontwikkeling, Weert, 7 okt. 2020

Bijlage 3  : Raadsbesluit zonder blz 12

Bijlage 4  : Raadsbesluit met blz. 12

Bijlage 5  : zienswijze 26-07-2020

Bijlage 6  : kaartje situering van mijn huisadres Delbroekweg 3 t.a.v. percelen bosontwikkeling.

Bijlage 7  : vervallen

Bijlage 8  : - WUR, Klimaatcijfers voor natuur, cijfers voor koolstofopslag en vastlegging in Ned. natuur.

                  - Natuurpunt België: Europees project Care-Peat maakt van Limburgs veengebied reservoir CO2

                  - University of Stirling: Bosaanplant levert niet altijd klimaatwinst op.

Bijlage 9  : - PBL, Natura 2000 in Ned. Juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen.

Bijlage 10: - Marieke Doorenbosch, Ancestral Heaths, samenvatting.

Bijlage 11: - WUR, HappyHier, Hoe gelukkig is men waar. samenvatting en conclusies.

Bijlage 12: - inspreekbeurt 9 sept 2020 bij de raadscommissie Ruimte & Economie

Bijlage 13: - reactie 7 okt. 2020 van gem. Weert op mijn zienswijze

Bijlage 14: - mailwisseling 28 okt. ontbrekende blz 12 in het raadsbesluit bij de reactie van 7 okt.

Bijlage 15: - mail 4 nov. ontvangst van het volledige en ondertekende raadsbesluit.

Bijlage 16: - concept-besluitenlijst raadsvergadering van 23 sept, goedgekeurd 5 nov. 2020

Bijlage 17: - mail 13 nov. ambtelijke stappen na het raadsbesluit.

Bijlage 18: - archeologische waardenkaart, subtitel cultuurhistorische waardenkaart.

Bijlage 19: - Royal Haskoning DHV, Hydrologische systeemanalyse Ringselvennen, Kruispeel, Laurabossen. 

Bijlage 20, 1 : Doel en samenstelling van de Ecologisch Werkgroep Weert Zuid en bevoegdheid om te spreken namens deze werkgroep.

Bijlage 20. 2 : ‘Wie zijn wij, wat willen wij, wat doen wij’

Bijlage 20. 3 : Huishoudelijk reglement

Bijlage 20. 4 : Vraag plaatsing op deelnemerslijst en akkoord gaan met het optreden van ondergetekende namens de werkgroep.

Bijlage 20. 5 : Excel lijst deelnemers

Bijlage 20. 6 : 17x positieve reacties van deelnemers

Bijlage 20. 7. 1 : Excel inventarisatielijst stort Delbroek

             20. 7. 2 : lijsten vogelinventarisaties stort Delbroek

             20. 7. 3 : opnameformulier peilbuizen Wijffelterbroek mei 2012

             20. 7. 4 : Excel inventarisatielijst Wijffelterbroek 16-04-2014

             20. 7. 5 : Floron inventarisatielijst  van 14-04-2019

             20. 7. 6 : Floron inventarisatielijst Meerlingweg 8-08-2015

             20. 7. 7 : Stramproyerheide, foto’s beheerwerk Buuëtjeshei

blz. 10