Zienswijze t.a.v. Bosontwikkeling Weert

Aan Burgemeester en Wethouders van Weert

Tevens t.a.v. de Gemeenteraad van Weert

Betreft zienswijze ten aanzien van het besluit ontwerp omgevingsvergunning ‘Bosontwikkeling’

Het identificatienummer van het plan is NL.IMRO.0988.PBBosontwikkeling-ON01.

Bekijk het 'Ruimtelijke Plan':

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-32844.html?utm_campaign=20200618&utm_source=attenderingsmakelaar&utm_medium=email&utm_term=gemeente_weert&utm_content=over_uw_buurt

 

Geacht college

Bij deze dien ik mijn zienswijze in ten aanzien van bovenvermeld besluit omgevingsvergunning ‘Bosontwikkeling’.

Mijn zienswijze richt zich niet zozeer tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging als zodanig, als wel tegen de onderliggende Ruimtelijke Ordening met de bijlagen Inrichtingsplan en de Ecologische quickscan.

De doelstelling van mijn zienswijze is vooral om te komen tot een meer hoogwaardige natuurontwikkeling dan die voort zou vloeien uit het voorliggende plan.

Ik ben van mening dat slechts onder voorwaarde van beter gefundeerde onderliggende plannen goedkeuring aan de voorliggende omgevingsvergunning zou mogen worden verleend.

In formele zin ben ik van mening dat het omgevingsplan met de erbij behorende stukken in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

 

De kernpunten van het betoog:

Weert heeft een potentieel zeer hoogwaardige natuur. Het is niet voor niets dat er in 1905 in Weert een studiecentrum voor veldbiologie werd geopend dat vooral door de universiteiten van Leiden en Groningen werd ondersteund en gebruikt. Voor het toenmalige landschap verwijs ik naar de topografische kaart van 1903 zoals weergegeven in de bijlage archeologie blz. 48. Het buitengebied van Weert herbergde een bijzondere natuur. Deze natuur is in potentie nog steeds aanwezig. We denken dan aan abiotische omstandigheden als het voedselarme zure (stuif)zand met moerassen, laaglandbeken en kwel vanuit de Hoge Kempen. Een situatie die m.i. meer lijkt op die van het Naardermeer dan bv. op die van Toscane of van de Zuid-Limburgse hellingbossen. Naast de abiotische omstandigheden lijken er op soortniveau nog voldoende relicten aanwezig om een goed herstel te kunnen realiseren.

Zoals ook uit verdergaande duidelijk zal worden, komen we, als we deze factoren meenemen, tot een plaatje voor natuur en landschap dat, als gevolg van moerassen, schrale heides en cultuurhistorische akkers, redelijk open en weids zou moeten zijn. Met andere woorden: weinig bebost dus.

Tegelijkertijd is het een gegeven dat er op bestuurlijk niveau klimaatdoelstellingen voorliggen die zich baseren op bosaanplant. Deze aanplant van klimaatbos zal ergens moeten landen. We kunnen echter voorwaarden verbinden aan de locaties.

Uitgaande van de voorwaarde die ook B&W stelt in haar ontwerp besluit, dat de bosontwikkeling niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening, en in acht genomen het feit dat bosontwikkeling als middel om de klimaatdoelstelling te halen een methode is die niet meer zekerheid daarvoor biedt dan andere vormen van natuurontwikkeling met name o.a. moerassen en natte heides, kom ik op een drietal kernpunten van mijn zienswijze voor de bestemmingsplanwijziging: 

blz  2

- ten eerste: wijzig het bestemmingsplan niet dusdanig dat de huidige omvormingen naar klimaatbos bij voortschrijdend inzicht niet meer in te wisselen valt voor andere natuurdoeltypen die ook, of zelfs misschien in de situatie van Weert een hogere, bijdrage leveren aan klimaatdoelstellingen.

- ten tweede: werk op dit moment naast bosontwikkeling ook toe naar open habitattypes, met name naar pelen, heischrale weides en natte en droge heides.

- ten derde: denk bij bosontwikkeling vooral aan structuren als houtwallen.

 

Concreet:

In het ontwerp besluit wordt verwezen naar de bosconvenant, en wordt aangegeven dat op basis daarvan het de bedoeling is 10 à 20 hectares bos aan te planten. Dit lijkt te vaag voor een omgevingsplan.

- Mijn voorstel in deze is het aantal hectares voor de omgevingsvergunning vast te stellen op 15 hectares.

- Bestem daarnaast de overige hectares van de bestemmingsplanwijziging voor heischrale weides en heides, beide al dan niet nat, afhankelijk van de hydrologie.

Zoals de verhoudingen nu liggen, zal er voor noodzakelijk beheer een gedeelte begraasd (moeten?) worden door taurossen (Vetpeel).

- Laat de overige hectares van het plan waar geen bos wordt aangeplant begrazen door een schaapskudde.

Schaapskuddes zijn flexibel. Er zijn geen vaste afrasteringen voor nodig. Niet nog meer prikkeldraad dus.

Schapen zijn daarnaast prima in staat om het voor vele andere (landbouwhuishoud)dieren giftige Jacobskruiskruid op te vreten. Runderen en paarden laten Jacobskruiskruid staan, waardoor het een steeds groter probleem wordt. Met schapenbegrazing kan het Jacobskruiskruidprobleem beheerst worden.

Het stimuleren van een plaatselijk schapenbedrijf dat zijn kuddes inzet voor natuurbegrazing is in lijn met de Weerter Landbouwvisie, waarin gestreefd wordt naar duurzame landbouw voor en door plaatselijke boeren. Dit lijkt bedrijfstechnisch haalbaar, omdat naast de betreffende percelen nog veel andere percelen voor dergelijke begrazing in aanmerking komen, zowel van Vereniging Natuurmonumenten, als van gemeente Weert (bermen), als van het Waterschap Limburg (oevers van o.a. de Tungelroyse beek), als van agrariërs om bv. het vanggewas in het voorjaar op te vreten, met als bijkomend groot voordeel dat dit niet doodgespoten hoeft te worden voor het onderploegen.

Vereniging Natuurmonumenten heeft te kennen gegeven de Landbouwtransitie te willen versnellen en vraagt zich af hoe boeren geholpen kunnen worden. Hier ligt mijns inziens een eerste mogelijkheid voor hen voor het grijpen.

 

De bij het besluit horende stukken:

Deze stukken zijn teveel toegeschreven naar het gestelde doel: bosontwikkeling. Zowel in het inrichtingsplan als in de ecologische quickscan wordt niet goed omgegaan met informatie die tot andere conclusies zou kunnen leiden.

- Ten aanzien van een dergelijke werkwijze kunnen vraagtekens gezet worden:

Het oorspronkelijke doel van de bosaanplant vloeide voort uit de klimaatdoelstelling en behelsde het realiseren van 10 à 20 ha. bos binnen gemeente Weert. Deze doelstelling is als zodanig geformuleerd in de aanvraagformulieren. Voor de realisatie heeft gemeente Weert een convenant gesloten met Vereniging Natuurmonumenten. Uit de Ruimtelijke onderbouwing blijkt dat hiervoor 42,5 ha grond van Vereniging Natuurmonumenten beschikbaar is. Bos in combinatie met (andere) natuur leek een goed plan.                  

blz 3

Echter, in werkelijkheid breidt de oorspronkelijke doelstelling van 10 à 20 ha bos zich uit tot 42,5 ha bos (ik kom op de getallen terug bij het inrichtingsplan). Immers, in het inrichtingsplan wordt gesteld dat “het niet de bedoeling is dat er beheerd wordt”. Bij elk van de deelgebieden wordt vermeld dat: “er is ruimte om door te ontwikkelen naar bos”. Een combinatie van aanplant en ‘niets doen beheer’ leidt binnen korte of langere tijd tot verbossing. Over argumenten voor de wenselijkheid daarvan schijnt in samenhang met de klimaatdoelstelling niet meer gepraat te hoeven worden. Het is echter geen automatisme dat als 10 à 20 ha bos goed zijn als klimaatdoelstelling, 42,5 ha bos dan ook goed zijn als natuur- (en cultuur-)doelstelling. Dat het gaat om zoveel bosontwikkeling, wordt overigens in de stukken niet duidelijk vermeld.

- Bosontwikkeling in een dergelijke omvang wordt onvoldoende duidelijk gemaakt in de onderliggende stukken. Of dit mogelijk en/of wenselijk is binnen het kader van de Omgevingswet en de Wet natuurbescherming, wordt onvoldoende onderzocht in de bij het besluit behorende stukken.

 

Ad Ruimtelijke Onderbouwing:

T.a.v. het in de inleiding van de Ruimtelijke Onderbouwing gestelde “dat bossen essentieel zijn in het vastleggen van CO2” mag opgemerkt worden, dat dit op zich juist is, maar dat dit in meerdere of mindere mate geldt voor alle vormen van natuur. Met name moerassen en natte heides kunnen meer CO2 vastleggen dan bossen, afhankelijk van de situaties ter plekke. De situatie in Weert is dermate gunstig, dat we hier zeker vanuit mogen gaan.

Verder wordt in de Ruimtelijke Onderbouwing gesteld dat Vereniging Natuurmonumenten heeft aangegeven dat grootschalige bosontwikkeling wenselijk is, mits aangesloten aan bestaande bosgebieden. Dit lijkt een algemene opmerking die niet wordt onderbouwd naar de specifieke situatie.

- Onderbouwing van de stelling voor de specifieke situatie van Weert zou onderdeel moeten uitmaken van het inrichtingsplan, en zou o.a. uit de cultuurhistorie en natuurhistorie moeten blijken.

Gegevens hierover, bv. in de vorm van kaarten ontbreken echter. Gelukkig zijn in de bijlage ‘Advies Archeologie’ van het Adviesbureau Raap kaarten opgenomen die inzicht verschaffen. Op blz 47 en 48, figuur 10 en 11, staan kaarten resp. uit 1870 en 1902. De kaart van 1870 toont kleine stukjes bos als gevolg van menselijke activiteit. Op de kaart van 1902 zijn de eerste bosaanplanten ten behoeve van de Zuid-Limburgse mijnbouw zichtbaar. Indien we vervolgens op blz 41 naar de uitsnede uit de bodemkaart van Nederland kijken zien we dat het grootste gedeelte van het plangebied bestaat uit veldpodzolgronden, gronden dus die ontstaan zijn als gevolg van eeuwenlang gebruik als heide. Om over de tijdsduur daarvan een idee te geven: de grafheuvels op het urnenveld op de Boshoverheide blijken opgeworpen te zijn bovenop heide (onderzoek Marieke Doornbos). Waaruit geconcludeerd mag worden dat de heide in Weert 4000 jaar geleden al aanwezig moet zijn geweest.

Vanuit zowel natuurhistorisch als vanuit cultuurhistorisch oogpunt is er dus geen aanleiding om tot grootschalige bosonwikkeling over te gaan. Aansluiting bij bestaande bosgebieden blijkt geen wezenlijk argument. Het bestaande bos is of recent aangeplant op heide als productiebos (Laurabossen rond 1900) of pas ontstaan na drooglegging (het Wijffelterbroekbos na het graven van de Raam in 1930). Verder geeft ook de ecologie van het gebied geen aanleiding om tot grootschalige bosontwikkeling over te gaan. Ik kom hier op terug bij de ecologische quickscan.

- Onderzoek of onderbouwing van de stelling dat grootschalige bosontwikkeling wenselijk is, zou tot een minder stellige, of mogelijk zelfs tot een andere stelling hebben geleid.

In dit kader geeft het aangehaalde uit de NOVI op blz. 20 te denken: “in alle gevallen zetten we in op de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap”. Uit het Inrichtingsplan blijkt dat echter onvoldoende.

blz 4

De positieve afweging die ten aanzien van het NOVI op blz 22 gemaakt wordt komt dan ook redelijk uit de lucht vallen. Dit temeer vanwege het gestelde dat er aangesloten wordt aan de N2000 en EHS natuur.

- Er wordt echter niet aangesloten bij de N2000 habitats en soorten, ze worden in de plannen zelfs nergens genoemd. Hier is het verband naar de conclusie toegeschreven.

Op blz 24 wordt getoetst aan het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014). Hierover wordt gezegd: “voor bos en natuur (!) bestaat de ambitie om de biodiversiteit in stand te houden en te versterken door middel van een robuust en grensoverschrijdend bos- natuur- en waternetwerk van goede kwaliteit”. Dit als “basis voor behoud en herstel van de voor Limburg kenmerkende flora, fauna en habitats”. Deze voor Limburg belangrijke soorten worden door de provincie benoemd. Ze zijn te vinden in het Provinciaal Natuurbeheerplan Limburg. In het inrichtingsplan en in de quick scan wordt echter niet aan deze soorten en habitats getoetst.

- Het is dan ook voorbarig om in de afweging op blz 30 te stellen dat “kansen worden benut”.

 

Ook de Structuurvisie Weert 2015 rept over respecteren en versterken van landschappelijke en cultuur historische waarden. Te gemakkelijk wordt echter op blz. 32 van de Ruimtelijke Onderbouwing geconcludeerd dat binnen het besluitgebied een afwisseling tussen open en besloten zal ontstaan. Voor voldoende afwisseling is overigens niet alleen het landschap bepalend, maar ook de ecologie. Grootschalige bosontwikkeling die in de plannen als gewenst wordt bestempeld, leidt zeker niet tot een afwisseling tussen open en besloten.

- De vraag die onbeantwoord is gebleven en die nog beantwoord zal moeten worden is, of er met de voorgenomen bosontwikkeling voldoende afwisseling in relatie met open gebied over blijft. 

H 4.7 op blz 43 behandelt archeologie en cultuurhistorie. Ten aanzien van de archeologie worden conclusies  getrokken uit het door Raap Archeologisch adviesbureau geschreven adviesdocument. Het is voor zover ik kan beoordelen een prima rapport. Ik heb verwezen naar de kaarten uit dit advies, en zal in verdergaande naar nog enkele kaarten verwijzen.

Het in hetzelfde H 4.7 behandelde onderwerp cultuurhistorie komt redelijk uit de lucht vallen. Qua belangrijkheid had er zeker een apart subhoofdstuk van gemaakt mogen worden. Verwezen wordt naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Weert.

- De cultuurhistorische waardenkaart is niet bijgevoegd, en ook niet digitaal beschikbaar op de site van de gemeente.

Er wordt gesteld dat de aan het perceel grenzende Heltenbosdijk ouder is dan 1890, hetgeen een criterium blijkt te zijn. In dat geval zou ook de Oude Bocholterweg aan dezelfde beschermingscriteria voldoen. Desondanks is het tracé vanaf Delbroekweg ter hoogte van huisnr. 3 totaan de kruising tussen Bocholterweg en Vetpeelweg een paar jaar geleden ondergeploegd. O.a. toonde deze weg recent nog een bijzondere structuur die sterk deed denken aan de wal van een schapendrift. Dit is niet onwaarschijnlijk als we ons de relatie met het verhaal van Bolle Jan en zijn schapensmokkel tijdens de eerste wereldoorlog realiseren.

- Vereniging Natuurmonumenten heeft aangegeven het tracé AH 164 en mogelijk nog een stuk binnen AH 145 weer in het zicht te brengen. Dit is een goed plan, dat echter wel geformuleerd moet worden.

- het zou goed zijn de bijzondere structuur van de historische (oude) Bocholterweg terug te brengen in de plannen, inclusief de structuur als schapendrift en de houtwal.

- Verder verwacht ik op de mij niet bekende cultuurhistorische waardenkaart aanduidingen van houtwallen bij boerenontginningen. Het zou een goed idee zijn bij bosaanplant deze structuren voor ogen te houden. De Vetpeelpercelen AH 6 en AH 15 schijnen erg kleinschalig ontgonnen te zijn. Ik kan dat verhaal niet bevestigen, maar dit zou nagegaan kunnen worden.                                  

blz 5

Voor het perceel Kwaoj Gaat heb ik bevestiging gekregen van kleinschalige percelen met houtwallen haaks op de Raambeek totaan de ruilverkaveling Weert-Stramproy.

- Het plan in relatie tot de Bocholterbeek in perceel AH 164 is wel erg pover. Het gaat niet verder dan het niet beplanten van het historische traject. Er zou meer van de beekstructuur gerealiseerd mogen worden.

H 4.9 trekt als conclusie uit de ecologische quickscan dat de Wet Natuurbescherming niet wordt overtreden. Deze conclusie deel ik niet zondermeer. Ik zal de bijbehorende bijlage apart bespreken.

H 4.10 Water. Er wordt wel heel erg toegeschreven naar het positieve effect van bosvorming op de waterhuishouding door bv. sponsvorming. Daarbij wordt echter niet behandeld, dat de betreffende gebieden voor het merendeel inzijggebied zijn voor aanliggende moerassen van Kettingdijk en Wijffelterbroek. Deze gebieden danken hun bijzondere vegetatie naast lange kwel uit de Hoge Kempen vooral ook aan de korte kwel uit de aanliggende hogere gebieden: de Kettingdijk vooral het Lauragebied. Juist de in het stuk zo geprezen sponswerking van bos zal daarop een negatieve invloed hebben. In het rapport ten behoeve van de herinrichting voor het Kettingdijkgebied door Vereniging Natuurmonumenten door het Ecohydrologisch Adviesbureau Bell Hullenaar ‘Ecohydrologische Systeemanalyse grensoverschrijdend natuurgebied Wijffelterbroek-Kettingdijk-Smeetshof’ is zelfs het advies gegeven om aan het plangebied grenzende gedeelte van de Laurabossen te kappen ten behoeve van een goede waterhuishouding. H 4.10 lijkt dan ook erg uit de losse pols geschreven. Zowel in het inrichtingsplan als in de ecologische quickscan wordt überhaupt geen aandacht geschonken aan het fenomeen kwel, terwijl het mogelijk de meest fundamentele factor is voor de ecologie van het gebied.

- Onderbouwing van de stellingname dat sponswerking goed zou zijn voor de waterhuishouding is absoluut noodzakelijk alvorens over te gaan tot uitvoering van bosontwikkeling, zeker nu in feite het tegenovergestelde beweerd en uitgevoerd wordt in relatie tot vorige rapporten over het gebied.

- Of de bosaanplant niet in strijd is met relevante beleidsstukken op gebied van water, dient voorafgaand aan een definitief besluit omgevingsvergunning nader bekeken te worden. Ook overleg met het Waterschap Limburg lijkt op zijn plaats.

Ad H 4.9: Bijlage Ecologische Quickscan.

Het doel van de ecologische quickscan wordt weergegeven in de inleiding: “bepalen of de aanplant nadelige effecten heeft op de aanwezige ‘beschermde’ flora en fauna”.

De quickscan gaat niet verder in op wat de term ‘beschermd’ inhoudt, terwijl deze term een hele lastige is. Er zijn verschillende beschermingsregimes van soorten: Europees, nationaal en Limburgs. Tegelijkertijd is er ook een ‘juridisch’ beschermingsniveau. Vogels zijn het beste beschermd, op alle fronten: ze mogen niet verstoord worden, en je mag bv. geen eieren weghalen. Bij flora zijn van oudsher alleen die planten beschermd die door mensen worden uitgestoken om in eigen tuin te zetten, bv. zonnedauw of orchideeën. Vele soorten zijn zodoende niet beschermd, terwijl ze vaak vele malen zeldzamer zijn dan beschermde soorten en/of op een rode lijst staan. Hetgeen echter ook weer niet wil zeggen dat je die planten wel mee naar huis mag nemen of mag plukken. De rode lijst kan de Europese, de Nederlandse of de Limburgse rode lijst zijn. Deze lijsten verschillen van elkaar; een soort kan in Limburg of in Nederland zeldzaam zijn en op de rode lijst staan, maar Europees gezien hoeft de soort niet zeldzaam te zijn. Deze ‘rode lijsten’ worden in het veld vooral gebruikt om aan te geven dat het om een soort gaat die belangrijk is. Daarnaast wordt er naar de Natura 2000 soorten en habitats gekeken om de belangrijkheid aan te tonen. De soorten en habitats die op de N2000 lijsten staan kennen een  instandhoudingsverplichting en een uitbreidingsverplichting.                                                                                                                                    

blz.6

- Meer duidelijkheid verstrekken over de betreffende beschermingsregimes als onderdeel van de Quick scan zou goed zijn.

- Het opnemen van Rode lijst soorten lijkt vanzelfsprekend, zeker daar waar het de Rode Lijst van Provincie Limburg betreft. Dit mede in aanmerking genomen dat het hier handelt om een Limburgs initiatief.

Onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming (blz. 7)

T.a.v. soorten behandelt de quickscan slechts de vraag of er beschermde soorten voorkomen ‘in’ het plangebied (zie stap 1).

- Deze opstelling is te beperkt: met het veranderen van het gebruik verandert ook de wisselwerking met de omgeving. Bv. wordt het foerageergedrag van soorten veranderd, het zoeken naar voedsel.

Het effect op Natura 2000 gebied wordt in punt 3.2 ‘gebiedsbescherming’ wel erkend, maar niet verder uitgewerkt (blz 7) De mogelijk significant negatieve effecten worden beperkt tot de uitvoeringsmaatregelen binnen N2000 en NNN gebieden. Dat is echter niet juist. Ook de effecten op N2000 gebieden moeten bekeken worden (vergelijk PAS, programmatische Aanpak Stikstof).

- Deze insteek bevestigt mijn bemerking dat alleen het in ogenschouw nemen van soorten binnen het plangebied te beperkt is.

Op blz. 9 worden zowel beschermde soorten in het plangebied als in de directe omgeving ervan  behandeld. Althans, volgens de aanhef, want de directe omgeving wordt de facto niet behandeld. Voor deze soorten wordt de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd en Waarneming.nl.

De zin bovenaan blz. 9 is erg misleidend. Er staat, dat “in de geraadpleegde databanken voor het plangebied en in de directe omgeving uitsluitend waarnemingen vermeld worden van ‘beschermde’ vogels, zoogdieren en reptielen”. Dat is onjuist. In de databanken staan alle gegevens die worden doorgegeven. Zo laat de provincie o.a. elke zes jaar de gebieden monitoren op flora. Deze gegevens staan voor zover mij bekend in de NDFF. Zo niet, dan hadden ze zeker bij de provincie geraadpleegd moeten worden.

Uit het verdere verloop van de quick scan blijkt echter, dat men uit de gegevens van de genoemde databanken alleen de beschermde soorten geselecteerd heeft. Slechts vanuit deze soorten wordt de eindconclusie op blz. 25 getrokken, nm. dat “de Wet Natuurbescherming met de geplande ingrepen niet wordt overtreden enz.” Hiermee worden de plangebieden op soortniveau op dezelfde manier behandeld als toekomstige fabrieksterreinen...

- De doelstelling van het plangebied heeft geen rol gespeeld in de quick scan. Aangezien de doelstelling bos- en natuurontwikkeling is, had men meer diepgang mogen verwachten van juist deze aanvragers.

Overigens had men op de zoektocht naar beschermde soorten meer initiatief mogen vertonen. In Weert valt nog heel wat te verbeteren op gebied van doorgeven en invoeren van waarnemingen vanuit de hoek van ‘burgerwetenschappers’: natuurliefhebbers die waarnemingen doorgeven aan de databanken.

- Dat wetende had men ook Vereniging Natuurmonumenten kunnen vragen naar waarnemingen, of bv. de Ecologisch Werkgroep Weert Zuid. Deze groep is al jarenlang actief in het gebied, helaas zonder waarnemingen in te voeren.

Ondanks dat men zich in de quick scan beperkt heeft tot de categorie ‘beschermd’, valt er toch wel een en ander over de invloed van verandering van open gebied naar bos en de wenselijkheid daarvan te concluderen uit de aangedragen gegevens. Met name voor de vogels van de percelen rondom de voormalige stort Delbroek zijn daarvoor voldoende waarnemingen voorhanden.

Veel soorten zijn waargenomen aan de randen van deze percelen. Het zijn vogels die van half open gebied met meer of minder struweel houden.   

blz 7

Voorbeelden zijn Putter, Grasmus, Roodborsttapuit, Geelgors, Kneu, en Patrijs. Er zijn echter ook soorten die van vrij grote open gebied houden, zoals Wulp, Veldleeuwerik, Kievit en Bruine Kiekendief. Aan de gebruikte waarnemingen van NDFF kan uit eigen waarneming toegevoegd worden, dat Wulpen zich tot voor enkele jaren met een honderdtal vogels verzamelden op en rond perceel AH 145 rond de oude stortplaats Delbroek. Ook de Veldleeuwerik kwam daar recent in grote aantallen voor, evenals de Patrijs. Deze gegevens zijn niet verwonderlijk; wulpen, leeuweriken en patrijzen waren de soorten van de voormalige heide en de meer extensieve landbouwpercelen. Toen de landbouwpercelen steeds intensiever werden, met name toen de graslanden vervangen werden door mais (onlangs nog op veel gronden van Stichting Ark rond Delbroek), werden deze soorten steeds meer teruggedrongen naar de meer extensieve percelen. Maar ze waren er nog steeds, zei het in veel lagere aantallen. Nu Vereniging Natuurmonumenten via Stichting Ark steeds meer gronden heeft verkregen, komt er voor deze soorten meer ruimte.

Indien er nu in deze open gebieden grootschalig bos wordt aangeplant, zal het vogelbestand totaal veranderen. De vogels van de open gebieden zullen sterk achteruit gaan, en de vogels van bossen zullen toenemen. Bosvogels zijn echter merendeels veel ‘gewoner’ dan de vogels van open en half open gebieden; de meeste stadsmensen zullen de soorten van de bossen herkennen. De verschuiving van soorten zal dan ook een vermindering van Rode lijst soorten betekenen.

- op de vraag of we met de voorgenomen omgevingswijziging van open gebied naar bos tegelijk ook een wijziging van de vogelsoorten willen, moeten we ons goed verdiepen. Het is mijn mening dat we moeten aansluiten bij de van oudsher aanwezige soorten. Bosaanplant voor klimaatbossen in de vorm van houtwallen lijkt daarvoor goede mogelijkheden te bieden (halfopen).

Naast de gevolgen van de in het plangebied aanwezige (vogel)soorten, moeten we ook kijken in hoeverre er een uitstralingseffect is op de soorten van het aanliggende N2000 gebied Weerter en Budelerbergen en Ringselven, waarvan het Lauragebied onderdeel is. De habitatrichtlijnsoorten van het N2000 gebied zijn Roodborsttapuit, Nachtzwaluw en Boomleeuwerik. Alle drie zijn het geen vogels van bossen. De Boomleeuwerik zit in bosranden en houtwallen. De Roodborsttapuit houdt van lagere vegetaties langs open gebied. De Nachtzwaluw broedt in de bosrand, liefst aan een grote open plek zoals de Lauraheide, maar jaagt op grote insecten in de open gebieden nabij het bos. Voor Boomleeuwerik zouden houtwallen met opstaanders ideaal zijn. De Roodborsttapuit zit voornamelijk aan de randen van het N2000 gebied. Ze worden genoemd in de lijst waarnemingen. De Nachtzwaluw jaagt vanaf de Lauraheide op de percelen rond Delbroek.

- We mogen dan ook concluderen dat de percelen van het plangebied wezenlijk zijn voor de N2000 soorten van het Lauragebied (behorend bij N2000 Weerter en Budelerbergen en Ringselven).

De invloed van de plannen reikt verder dan de alleen de invloed van de plantwerkzaamheden. Bebossing is van invloed op de habitat van deze soorten. Met de hoeveelheid en de wijze van bebossing van die percelen moet daar dan ook rekening mee worden gehouden.

Doordat er alleen gekozen is voor onderzoek naar beschermde soorten, zijn vele soortgroepen helemaal uit beeld gebleven.

Al genoemd is de flora. In de hoekjes van de plangebieden zijn zeker restanten te vinden van heischrale weides, een N2000 habitatrichtlijn gebied. Langs de Vetpeel groeit Gagel. In de sloot tussen Vetpeel en Kettingdijk groeien soorten van zwak gebufferde situaties als bv. Duizendknoopfonteinkruid.

Ook op insectengebied mogen enkele soorten aangestipt worden. Prioritair op de rode lijst van provincie Limburg staan bv. de Veldkrekels. In de gebieden die direct grenzen aan Delbroek zitten er veel. Veldkrekels zullen verdwijnen bij bebossing. Dit geldt ook voor bv. de daar aanwezige Blauwvleugelsprinkhaan.

Het gebied telt ook vele soorten graslandvlinders. Landelijk is er al een verschuiving gaande van graslandvlinders naar de meer algemene bosvlinders.                                                                                 

blz 8

Het lijkt raadzaam het gebied geschikt te houden voor de vlinders van de schrale graslanden. Zandoogjes zoals Oranje zandoogje en Hooibeestje zullen verdwijnen bij een teveel aan bos.

- De conclusie dat de Wet Natuurbescherming met de geplande ingrepen niet overtreden zal worden, geldt dus enkel en alleen voor de werkzaamheden die gepaard gaan met bosaanplant .

Ten aanzien van de gevolgen voor de aanwezige en aanliggende natuur mag deze conclusie echter niet getrokken worden. Ook de soorten van het aanliggende N2000 gebied Weerter en Budelerbergen en Ringselven zullen zeker te lijden hebben van de bosaanleg zoals die nu gepland is.

 

ad Bijlage Inrichtingsplan Bosaanplant Kempen-Broek.

Als doel van de bosaanleg wordt niet zozeer de klimaatdoelstelling gegeven, alswel een “soortenrijk en gevarieerd bos dat kenmerkend is voor de groeiplaats”. “Subdoel is introductie van soorten die ondervertegenwoordigd zijn in de Weerter Kempen” (noot: bedoeld wordt het Weerter Kempenbroek). Verder is “kleinschalige afwisseling van bos met graslanden struwelen, waterpartijen e.d. te prefereren”. Tegelijkertijd wordt gesteld dat men tot betrekking met actief beheer terughoudend is.

Vervolgens worden een aantal punten genoemd ten aanzien van de manier waarop wordt aangeplant. Een opvallend punt is, dat er weliswaar open plekken in de aanplant worden gelaten, maar dat tegelijkertijd voorzien wordt “dat deze open plekken op termijn verruigen en dichtgroeien” (blz 6). Op blz 7 wordt gesteld dat “het in principe niet de bedoeling is dat er beheerd wordt”. Met andere woorden: al de terreinen van het plangebied zullen op den duur bos worden. Bij de terreinen die begraasd worden door taurossen, zal dat misschien wat langer duren en misschien niet volledig. Maar het is geen verkeerde inschatting als van het totaal van 42.5 ha, er 40 omgevormd zullen gaan worden tot bos. Als we de sfeerimpressie van blz. 24 t/m 29 nader beschouwen, dan prefereert men een startaanplant van ongeveer 30 ha, in plaats van de met de gemeente overeen gekomen 10 à 20 ha; uitgaande van 15 ha aanplant dus ongeveer het dubbele.

- Kortom, het hectaren verhaal zou een consistenter verhaal moeten zijn. Mijn voorstel is om niet meer aan te planten dan 15 hectaren.

Wezenlijk belangrijk voor aanplant zijn verder de abiotische factoren. Op blz 8 wordt de hoogtekaart getoond. Vervolgens worden in een schema de grondwaterstand en het bodemtype weergegeven. Slechts vanuit deze twee factoren wordt de PNV geconcludeerd, de Potentieel Natuurlijke Vegetatie, hier beperkt tot Potentieel Natuurlijke Bosvegetatie.

Bij de Potentieel Natuurlijke Vegetatie spelen echter meerder factoren een rol:

- Al opgemerkt is, dat de cultuur- en natuurhistorie niet behandeld worden, terwijl dit wel een wezenlijk onderdeel zou moeten zijn. We hebben het ook al gehad over het feit dat de veldpodzolgronden zoals die aangetroffen worden op veel percelen van het plangebied, ontstaan zijn als gevolg van de aanwezigheid van heide. Waar ze voorkwamen en hoe uitgestrekt ze waren is goed te zien op de kaarten zoals weergegeven in het ‘Advies Archeologie’ van Adviesbureau Raap (blz. 41 en 42).

Ook is reeds opgemerkt dat de cultuurhistorische waardenkaart van gemeente Weert niet is opgenomen, terwijl bv. zeker gekeken zou moeten worden naar de locaties van de eerste boerenontginningen.

- De veldpodzolgronden en de vlakvaaggronden bestaan uit leemarm en zwak lemig zand. De hoeveelheid leem is van wezenlijk belang voor ecologie van de gebieden in relatie tot de bodemvochtigheid. Bovendien zijn er in het gebied vaak leemlaagjes en soms leemlagen aanwezig die van invloed zijn op de grondwaterstand. Verdere uitsplitsing naar hoeveelheid leem in de bodem was dan ook wenselijk geweest, eventueel in samenhang met enig grondonderzoek.           

blz 9

- In dat kader had een geomorfologische kaart niet mogen ontbreken (kaart over ontstaan en de vormen van het landschap). Gelukkig geeft het onvolprezen Adviesbureau Raap deze kaart weer (blz. 39)

- Ook een kwelkaart had niet mogen ontbreken. Wat veelal vergeten wordt door mensen die de gebieden van Weert niet kennen is, dat het water waarschijnlijk als gevolg van natuurlijk ijzersulfaat in de  zandbodem van nature erg zuur is. De PH neutralere kwel vanuit de Hoge Kempen en vanuit de Zuid Willemsvaart heeft in combinatie daarmee een wezenlijke invloed op de vegetatie.  Ik zal daarom de streefbeelden voor de diverse percelen van het plan maar even laten voor wat ze zijn.

 

Over de beplantingslijsten mag echter nog wel wat opgemerkt worden:

- Er wordt een beplantingslijst gegeven voor drogere bostypen en vochtige bostypen (blz 21 en 22). Deze zijn identiek, en daarmee ook niet onderscheidend....

Ook over de soorten van de lijst kan nog het nodige gezegd worden. Op blz 4 wordt nm. gesteld: “subdoel is de introductie van soorten die ondervertegenwoordigd zijn in het bomenbestand”. Als er echter geen onderzoek is gedaan om welke soorten dit gaat, is grens met fantasie-natuur dun.

Veel soorten komen voor op het noordelijk halfrond, maar dat wil niet zeggen dat ze overal voor zouden moeten of kunnen komen. In Europa speelt bv. mee dat ook in de laatste ijstijd de bomen zich teruggetrokken hadden achter de Pyreneeën, de Alpen en de Karpaten, en dat ze soms onze streken nog niet uit zichzelf hebben bereikt. Als de mens dan een handje helpt, lijkt dat niet zo een groot probleem. Maar waarom dan bij de ene soort wel, en mag dat bij de andere soort niet? Waarom staat dan bv. de Gewone esdoorn wel op de lijst, maar de Tamme kastanje niet?

Daartegenover bestaat er zoiets als gebiedseigen vegetatie. Als er wordt gesteld dat het om bomen gaat die ondervertegenwoordigd zijn, mag geconcludeerd worden dat ze wel aanwezig zijn, maar in kleine getale. Rond Weert hebben wij in de loop daar jaren met inventariseren een aantal soorten helemaal níet aangetroffen. Te denken valt aan Wintereik, Haagbeuk, Fladderiep en Meidoorn. Het zijn niet voor niets kalkminnende soorten, en kalkhoudende grondsoorten komen hier van nature niet of weinig voor. We kunnen deze boomsoorten bestempelen als niet-gebiedseigen soorten. Zomaar overgaan tot aanplant ervan, lijkt veel op floravervalsing. Het is op zijn zachtst gezegd iets te voortvarend.

Daarnaast mis ik in de aanplantlijst een soort die wezenlijk is voor onze (droge) gebieden: de Grove den.

- Alvorens over te gaan tot het aanplanten van soorten die ondervertegenwoordigd zouden zijn, moet eerst onderzoek gedaan worden naar de soorten die dat werkelijk betreft. Vervolgens moet gekeken worden naar de wenselijkheid van het aanplanten ervan.

 

Frans Smit

26-07-2020

 

Drs. Frans J.F. Smit

Delbroekweg 36006 VA Weert

Mede namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid