Open brief Commisie Verbetering Begrazingsbeheer 2

Typering aan de hand van de N2000 habitattypen, aanwezig of in potentie, als indicatie van de hoogwaardige natuur in de niet als N2000 aangewezen gebieden waarop de begrazingsdiscussie van toepassing is:

- De nog in te richten Q percelen hebben potenties voor habitattype H3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met Oeverkruidverbond en het Biesvarenverbond. Tevens zou hier H3140: Kalkhoudende mesotrofe wateren met Kranswieren, van toepassing kunnen zijn:

- Kettingdijk west heeft (na afgraving van de teellaag) aansluitend op het Lauragebied potenties voor H2310 Psammofiele heide met Stekelbrem en Kruipbrem.

- Kettingdijk zuid lijkt potenties te hebben van H91EO: Alluviale bossen met Els en Vogelkers en Bittere veldkers en voor H4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei

- Het Wijffelterbroek behoort m.i. tot H91EO: Alluviale bossen met Els en Vogelkers en Bittere veldkers en is een verbetering van de waterhuishouding meer dan waard. 

- De aangelegen percelen Kwaoj Gaat, de Graus en de Raamweides zouden zich in dezelfde richting kunnen ontwikkelen, echter mogelijk is misschien ook een ontwikkeling in de richting van H6510: laaggelegen schraal hooiland met Grote Vossenstaart of van H 6410; Blauwgrasland met kleine-zeggengemeenschappen, terwijl waarschijnlijk H4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei ook tot de mogelijkheden behoort.

- “Tungelroysche Beek” behoorde vroeger tot het doorstroommoeras waaruit  op die plaats de Tungelroyse beek “ontsprong”. Als we naar het verleden kijken zou droge en natte heide en heischraal grasland hier tot de mogelijkheden behoren (H2310 en H4010 . Op het moment zijn deze potenties echter niet in het veld aan te wijzen, hetgeen misschien des te meer reden is om de nodige aandacht aan dit gebied te geven. Droge heide op deze plek zal functioneren als verbinding naar de nabij gelegen Tungeler Wallen, een uniek gebied met zeldzame soorten van de habitattypen H2310 én H2330: Open grasland met Buntgras en Zandstruisgras. Bosaanleg voor boscompensatie zoals nu aangelegd wordt op de noordoever van de beek (“Beej Baks”) is dan ook niet bepaald de meest voor de hand liggende invulling van de natuur op deze locatie.

- De Stramproyerheide is nu grotendeels aangeplant met Grove dennen als productiebos. Voor deze aanplant was het hier stuifzandhei, zoals de vele bulten nog laten zien: H2310 Psammofiele heide met Stekelbrem en Kruipbrem. De bijbehorende soorten zijn nog aanwezig op de Buuëtjes hei. Korstmossen zijn niet opgenomen bij de N2000 soorten, maar anders zou het hier aanwezige IJslands mos en Gebogen rendiermos zeker als kensoort opgenomen zijn. Overigens groeit hier ook ook Dopheide in een laagte, wat aangeeft dat N6230: “soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van toepassing zou kunnen zijn. De Stramproyerheide kent ook enkele weilanden van Vereniging Natuurmonumenten die potenties in deze richting hebben.

- De weides langs de Abeek vormen een overgang van nat naar droog (zand). Er hebben hier nog geen inrichtingsmaatregelen plaatsgevonden. Enige weides worden al lange tijd begraasd. H6230: heischraal grasland op arme bodems moet hier tot de mogelijkheden behoren, met een overgang naar H4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei. Rond 1900 is er in het Broekmolenveen bv. Slijkzegge gevonden.

 

We willen ons op dit moment beperken tot de habitattypen. De soorten die doelsoorten voor het gebied zouden moeten zijn, zijn de soorten die horen bij de genoemde habitattypen. Planten en plantengemeenschappen zijn het meest op die manier onderzocht. Gelukkig is er een tendens om ook voor andere soorten meer naar biotopen te kijken. Alleen al daarom verdient dit onderwerp verdere uitwerking. 

 

Ondanks dat de gebieden al dan niet ten onrechte niet zijn aangewezen als N2000 habitattypen, lijkt het een morele verplichting en een inspanningsverplichting, om gebieden met dergelijke grote potenties in die richting verder te ontwikkelen. Minimaal moeten we proberen deze potenties te integreren in de situatie waar we met de natuur anno 2016 terecht zijn. Dat betekent, dat er zorgvuldig met het beheer afgestemd moet worden op deze waarden.

Geconcludeerd mag worden dat bij dergelijke kwetsbare biotopen beheer op maat beter op zijn plaats is dan “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

 

Conclusie:

Bij toetsing aan de doelstellingen die voortvloeien uit de N2000 verplichtingen en toetsing aan N2000 potenties in de beoogde begrazingsgebieden, lijkt er dan ook weinig plaats voor de beheervorm: “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

Veeleer lijkt beheer op maat op zijn plaats, voorafgegaan door uitgebreide inrichtingsmaatregelen als basis voor een zo groot mogelijke rol van procesnatuur.

 

Opgemerkt mag worden dat Ark t.a.v. procesnatuur een opdracht heeft ten aanzien van de waterhuishouding en in relatie tot klimaatbuffer. Dat is prima. Gedeeltelijk kunnen we hier het water in de oude doorstroommoerassen het proces laten sturen, echter nooit volledig. Aanvullend daarop zou mogelijk een ander dynamisch proces gestimuleerd kunnen worden: de zandverstuivingen! Dit proces krijgt ons inziens te weinig aandacht.

 

ad punt 5: de factor tijd:

Volgens het rapport gaat alles in een razend tempo. Volgens ons valt dat wel mee.

Er wordt ook opgemerkt dat de nieuwe gronden van Ark vanwege vegetatiebeheer begraasd moeten worden. Als dat de echte reden is, was het waarschijnlijk slimmer geweest van Ark om ze niet in te zaaien met hoog productief Raaigras.... Helemaal niet inzaaien zou bovendien voor natuurlijke processen veel wezenlijker zijn geweest! Wat Ark deed met de nieuwe gronden leek eerder het omgekeerde: er werd ingezaaid om zoveel mogelijk opbrengst aan gras voor de taurosachtigen te kunnen verkrijgen. Het geeft ook te denken dat de boeren die hun grond verkochten zo snel mogelijk hun melkvee van de door Ark gekochte grond moesten verwijderen. Sommige boeren hadden graag nog langer hun vee erop willen laten grazen. Geen bemesting en wel begrazing door melkkoeien zou gezorgd hebben voor redelijke verschraling: er wordt immers melk afgevoerd.

 

Belangrijker echter is de opmerking “dat de mensen moeten kunnen “wennen”. En dat “door de tijd heen grazers goed geaccepteerd worden, en zelfs gewaardeerd”. Dit is veranderingsleer van de kouwe grond. Er zijn heel andere processen aan de gang die veel doorslaggevender zijn. Na verloop van tijd hebben mensen noodgedwongen andere oplossingen voor hun gedrag gevonden. Liepen ze bv. vroeger een ommetje op de Laura heide, al dan niet met hun hondje, nu lopen ze bv. langs de Tungelroyse beek, zolang dat nog kan. Of ze hebben een andere route voor hun fietstochtje gevonden. Anderen zijn langzamerhand moe van het gevecht, en/of willen positieve dingen gaan doen. Ook vallen groepen uit elkaar omdat enkele mensen gaan verhuizen, of omdat mensen nu eenmaal dood gaan. Daarmee verdwijnt de groepsstructuur en valt de groep uit elkaar. Bovendien: mensen vergeten, ze vergeten hoe het een aantal jaren geleden was. Om deze processen te benoemen als acceptatie en waardering, lijkt bijna niet netjes. Het is gewoon een kwestie van de langste adem hebben. Een gesettelde organisatie wint het op gebied van tijd meestal van mensen die zich tijdelijk tegen iets verenigen.

 

ad punt 8: zorg over het behalen van biodiversiteitsdoelen.

Deze zorg is er inderdaad, en reikt verder dan “lokale” natuurliefhebbers. Procesgestuurde natuur zoals Ark dat nastreeft wordt gewaardeerd daar waar er ook dynamische processen zijn, met name bv. langs de rivieren. Natuur waar runderen het proces zouden moeten sturen wordt algemeen bij natuurliefhebbers met grote scepsis bekeken. Runderen zijn voor hen grazers die in veel gevallen noodzakelijk zijn en die bij de natuur moeten passen. Ze zijn geen doel op zich. Niet-lokale natuurliefhebbers zeggen meestal niet veel. Ze zijn blij dat het hun “back-yard” niet is.

 

ad H3: Conclusies en aanbevelingen

 

Zoals dat gaat bij op een aanmerkingen op een rapport, heb ook ik in voorgaande niet of nauwelijks de punten benoemd waarmee volle overeenstemming is. Daarom is het goed om duidelijk te laten uitkomen dat wij het ten volle eens zijn met de conclusie ”dat op de huidige wijze doorgaan met het Taurosproject in Kempen~Broek geen optie is. De vier terreindoelen en de ermee samenhangende belangen natuurontwikkeling, recreatie, fokproject Tauros en natuurlijke begrazing zijn in kort tijdsbestek niet in alle huidige begrazingsgebieden verenigbaar”.

 

ad 3.1 Advies

ad Begraasde gebieden groter dan 100 hectare.

De commissie adviseert de taurosachtigen te handhaven in gebieden die aan het eind van het eerste kwartaal van 2016 een oppervlakte hebben van minimaal 100 hectare. Een en ander met inachtname van een beheer met natuurlijke sociale kuddes conform de “Richtlijn Sociale Kuddes” die door Ark is opgesteld. In hoeverre dit overeenkomt met de formulering “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” kunnen wij niet beoordelen aangezien wij niet beschikken over deze richtlijn. Beide formuleringen lijken echter van dezelfde strekking.

Zodat daarmee ook de onduidelijkheid blijft zoals wij die in punt 1.2 hebben geformuleerd ten aanzien van de omschrijving “sociale groepen”.  Er worden geen richtlijnen geven waaraan de opbouw en samenstelling van de groep zou moeten voldoen om onderling stabiele betrekkingen te verkrijgen. Te denken valt aan zaken als groepsgrootte, aanwezigheid van subgroepjes, leeftijdsopbouw en geslachtsverhoudingen. Deze punten lijken direct aan minimale en maximale aantallen gekoppeld.

 

De minimale groepsgrootte die vereist is voor is een sociale groep runderen, is onmiddellijk de bepalende factor voor de minimale perceelsgrootte. Immers, een groep runderen moet jaarrond in voldoende mate te eten kunnen hebben. De voedselproductie zal zeer afhankelijk zijn van de terreingesteldheid. Immers, een zandverstuiving van 100 hectare zal onvoldoende voedsel opleveren voor een sociale groep runderen. Waterplassen, moerassen en bossen zonder ondergroei zullen ook weinig bijdragen aan het voedselaanbod.

Een sociale groep zal dus minimaal 100 ha. tot haar beschikking moeten hebben, echter percelen van meer dan 100 ha. zijn niet automatisch geschikt voor “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”. Hoewel de productiviteit van de grond in relatie tot het aantal benodigde hectares voor een sociale kudde nooit precies aan te geven zal zijn, zal het goed zijn dit punt verder indicatief uit te werken. Het is bv. prettig om te weten of de drie genoemde percelen van meer dan 100 hectares (Loozerheide, Laurabossen e.o., en Wijffelterbroek e.o.) in principe  voldoen aan de vereisten voor een sociale kudde van minimale grootte.

Verdere toetsing van de begrazingseenheden groter dan 100 hectaren:

Ook als een gebied groter dan 100 ha. is en beantwoord aan de uitgewerkte voorwaarden zoals aangegeven in bovenstaande, zal bekeken moeten worden of “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” te combineren valt met de officiële doelstellingen op natuurgebied. Deze doelstellingen hebben we in punt 4 uitgewerkt.

 

soortbeschermingsplannen van de provincie.

Waarschijnlijk, is er een negatieve impact bij Boomkikker en Knoflookpad door vertrapping en verslemping van de oevers en door vraat aan de aanliggende vegetatie (braam en bos).

Uitrastering van echt geschikte (moeder)poelen lijkt absolute voorwaarde (poelen die met een zekere regelmaat droogvallen)

 

N2000

Het is een verplichting om te toetsen aan de N2000 doelstellingen van de gebieden. Dit vloeit voort uit de Europese verplichting tot instandhouding of uitbreiding.

Mijns inziens  zal er naast N2000 doelstellingen ook gekeken moeten worden naar de morele, aan N2000 gerelateerde natuurdoelen van de gebieden. Dit vloeit voort uit de geest van deze wet. 

 

- Loozerheide als geheel (en Lauragebied voor wat betreft de vennen aan de kanaalkant): hier moeten we ervan uitgaan dat “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet verenigbaar is met N2000 aanwijzingsbesluit t.a.v. habitattype H3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met Oeverkruidverbond en het Biesvarenverbond. Voor dezelfde gebieden geldt, dat de aangewezen soorten van de habitatrichtlijn Kleine modderkruiper (H1149), Kamsalamander (H1166) en Drijvende waterweegbree (H1831) resp slecht of niet te combineren zijn met “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

Zodat geconcludeerd moet worden dat de Loozerheide ondanks haar grootte niet geschikt is voor “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”

 

- Lauragebied en aanliggende gebieden: behalve het in het vorige punt genoemde, zijn er vanuit het N2000 aanwijzingsbesluit geen soorten of habitattypen die onverenigbaar zijn met “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

Hier zou echter een morele toetsing op zijn plaats zijn t.a.v. H2310: Psammofiele heide met Stekelbrem en Kruipbrem, en langs de kanaalkant H3140: Kalkhoudende mesotrofe wateren met Kranswieren. Ook de aanliggende Q percelen en Kettingdijk hebben grote potenties, waaronder H4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei (zie 4)

Zodat geconcludeerd mag worden dat “beheer op maat” hier beter op zijn plaats is.

Om aan procesnatuur zoveel mogelijk ruimte te bieden zijn hier uitgebreide inrichtingsmaatregelen op gebied van de waterhuishouding noodzakelijk en mogelijk.

 

- Wijffelterbroek e.o: Behalve het gedeelte van Smeetshof, valt de grensoverschrijdende begrazingseenheid “Wijffelterbroek” niet onder N2000 richtlijnen. Ook voor het gedeelte van Smeetshof lijken geen conflicterende situaties aanwezig met “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezige N2000 waarden: Het Wijffelterbroek zelf heeft hoge waarden vanuit H91EO: Alluviale bossen met Els en Vogelkers en Bittere veldkers

Voor de potentiële hoge waarden van het aanliggende Kwaoj Gaat, de Graus en de Raamweides denken wij H6510: laaggelegen schraal hooiland met Grote Vossenstaart of van H 6410; Blauwgrasland met kleine-zeggengemeenschappen, terwijl waarschijnlijk H4010: Noord-Atlantische vochtige heide met Dophei ook tot de mogelijkheden behoort.

Zodat ook hier geconcludeerd mag worden dat “beheer op maat” beter op zijn plaats is dan “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

En ook van dit gebied geldt de opmerking dat om aan procesnatuur zoveel mogelijk ruimte te bieden, men hier het beste kan inzetten op uitgebreide inrichtingsmaatregelen op gebied van de waterhuishouding.

 

ad Begraasde gebieden kleiner dan 100 hectaren

We zijn het eens met de conclusie om de taurosachtigen in deze gebieden te vervangen door andere grazers!

Daarbij realiseren we ons echter dat het van wezenlijk belang is het begrip taurosachtigen nader te omschrijven. Immers: zijn Heckrunderen taurosachtigen? en waar plaats je “Ecolanders”, een kruisings ras-in-wording van Hooglanders x Heckrund. En al die andere kruisingen waarmee geëxperimenteerd wordt? Kruisingen zijn altijd hybriden waarin de karaktereigenschappen niet vastliggen, en waarbij het heterosiseffect een grote rol speelt: gezonde beesten met veel energie, waarbij dus wel de vraag gesteld mag worden hoe hoe die energie zich gaat richten.

 

Niet eens zijn wij het echter met het uitgangspunt dat er vastgehouden moet worden aan “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

Er zit iets ongerijmds in het hieraan vasthouden. De commissie heeft net overtuigend laten zien dat er voor jaarrondbegrazing met sociale groepen taurosachtigen grote eenheden nodig zijn. Het niet kunnen beschikken over grote begrazingseenheden betekent automatisch ook dat de doelstelling sociale groepen niet gerealiseerd kan worden. Zodat inherent aan kleinere eenheden “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet mogelijk is. Je kunt niet vasthouden aan iets dat onmogelijk is. Een oplossing zou kunnen uit te gaan van mini-koetjes. Beter is het echter de drie uitgangspunten los te laten

 

Bovendien: Bij punt 1.2: Opdracht aan de commissie: hebben wij gesteld dat: “wij niets anders kunnen dan concluderen dat de drie genoemde uitgangspunten aan de commissie niet vanuit een juiste besluitvormingsprocedure zijn aangereikt, en dat ze daarom niet bindend waren en zijn”.

 

Toetsing van de natuurwaarden aan de N2000 doelen levert voor de kleinere gebieden het volgende op: Stramproyerheide (H2310: Psammofiele heide met Stekelbrem en Kruipbrem) Tungelroyse beek weides, Siendonk en de Abeek weides hebben hoogwaardige potenties.

 

“Beheer op maat” lijkt concluderend het beste uitgangspunt.

Bij beheer op maat is het goed mogelijk de boeren uit de omgeving te betrekken, bv. voor het inscharen van jongvee of andere hand en spandiensten. Of misschien zijn er burgers die hun paardjes willen weiden. Kortom, volop betrokkenheid van de bevolking bij beheer op maat, zeker als mensen het overtollige hout eens uit de natuur kunnen komen zagen.

 

De beste grazer

Dit is hét moment om daaraan toe te voegen, dat ook bekeken moet worden welke grazer het beste “beheer op maat” kan leveren.

De Ecologische Werkgroep Weert Zuid is hier van begin af aan duidelijk over geweest. Een schaapskudde, begeleid door een herder is hiervoor het meeste geschikt. Op de eerste plaats, omdat de herder zijn of haar kudde daar laat grazen waar het natuurtechnisch op dat moment het beste kan. Er kan rekening worden gehouden met bloeiperiodes, kwetsbare vegetatie, natte of droge periodes, licht of zwaar begrazen enz.

Op de tweede plaats sluit deze vorm van begrazing aan bij een ecologie met bewezen hoge potenties die in deze streken al minstens 4000 jaar bestaat. Het nabije verleden is nog zichtbaar en voelbaar. We hadden nooit 600 jaar Weert kunnen vieren zonder de rijke schapengeschiedenis van Weert en omstreken. Maar, zoals we al zagen bij de poging tot definiëring van de “grote grazers”, we kunnen nog verder teruggaan in de tijd. Ook in het tijdperk van de echte grote grazers, het pleistoceen, werd er hier begraasd door geitachtigen: de Muskusossen.

Behalve voor de natuur zijn er met schapen veel voordelen voor de natuurbeleving te behalen. De vele kilometers prikkeldraad die zijn geplaatst om de runderen achter te houden geven het landschap een erg ongastvrij uiterlijk. Voor schapen is dit niet meer nodig. Dat scheelt ook weer wijkagenten die ingezet moeten worden om prikkeldraaddoorknippers te grazen te nemen.

Prikkeldraad past ook niet bij de geschiedenis van deze streken, het heeft er eigenlijk nooit veel gestaan, dat was niet nodig bij de roggevelden.

Met het schaap wordt er ook op een andere manier radicaal ontsnipperd. Immers, de rondtrekkende schaapskuddes verbinden natuur, bermen, beken en agrarische percelen. Overal in het landschap hebben schapen een functie. Ze maken het landschap weer tot een eenheid. Op deze manier is het schaap een goede trekker van procesbeheer: het verbind processen, ook die waar de mens sterker aanwezig is.

En, last but not least: er zijn met schapen geen problemen met veiligheid.

 

Dit had een prima einde van ons betoog kunnen zijn, maar het rapport gaat ook nog even verder, en geeft zeker nog aanleiding om te reageren.

 

 

 

ad Bijlage 1

Aanvullende bevindingen en aanbevelingen CVB

 

Alternatieven voor taurosachtigen: 

Wij hebben ook nog wel een idee voor een koetje, een rustig soort dat bij de streek past: het Kempische heidekoetje, dat ook wel eens het Limburgs koetje, of Nederlands (of Deens) heidekoetje wordt genoemd. Misschien kan er ook aan Witrikken gedacht worden. Deze koetjes zijn overigens prima samen met schapen te weiden.

 

De commissie noemt vanuit haar uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” een aantal soorten en rassen die er wat de commissie betreft niet bij horen. Wat ons betreft staan alle mogelijkheden echter open, omdat  deze drie uitgangspunten niet bindend zijn, zoals we hebben gezien.

 

- boerenvee: zou zeker mogelijk kunnen zijn, mits aan de eisen van veiligheid en beheer op maat kan worden voldaan. Sommige vleesrassen bv. zijn echt niet zo gezellig als ze eruitzien!

- schapen zijn wat ons betreft de ultieme grazers. Het bij dit punt gestelde dat het gebied te nat is voor schapen en dat er daardoor ziektes zullen optreden is onjuist. Bij schapen zijn niet veel meer problemen te verwachten dan bij runderen. Het getuigt niet van veel kennis van schapen om deze punten te noemen. Het Kempische heideschaap heeft een geschiedenis van duizenden jaren in deze streken, en toen was het hier veel natter dan nu. Het is raar te veronderstellen dat runderen uit het mediterrane gebied beter tegen nattigheid zouden kunnen.

-paarden, ook al te nat in onze gebieden? Komen die Exmoors dan niet uit de “moors”?

Kortom: het gaat hier best wel lukken, zonder die taurossen, en met al die geschikte grazers.

 

Cultuurhistorische landschapselementen:

Zoals al gesteld, we zijn voor gescheperde kuddes. De herder zal prima in staat zijn de landschapselementen te ontzien.

 

Ontsnippering

In deze streken was het van oudsher niet de gewoonte percelen te omheinen. Houtwallen waren meer bedoeld als windkering en hadden een functie in de waterhuishouding. Op de kransakkers liep men over elkaars percelen naar het eigen perceel. De roggevelden die later op de heides ontstonden waren ook niet omheind. Het eerste prikkeldraad kwam pas bij de latere ontginningen bij de eerste melkveehouderijen, en zelfs toen behielp men zich met hooguit twee slappe draadjes. De beleving van de streek was dan ook niet echt die van een streek die “onthekt” moest worden. Er waren geen hekken, en de beleving was die van een geïntegreerd geheel, die van een afwisselend mozaïek landschap.

Op dit moment zijn er overal veel afrasteringen verschenen, en de veeroosters (geen wildroosters) liggen klaar. Voor begrazing met schaapskuddes zouden deze obstakels en barricades weer weg kunnen. Dat is pas echt onthekking en ontsnippering. De rondtrekkende schaapskuddes maken het landschap weer tot een eenheid.

 

En passant wordt de verbinding over het kanaal als laatste onderwerp in het rapport naar voren gebracht als vorm van ontsnippering. Zoals de tekst het brengt, lijkt het alsof er een  oversteekplaats voor koeien en mensen nodig is. De verbinding over het kanaal zou echter een ecologische verbinding moeten zijn. Voor ons hoeft die oversteekplaats voor runderen niet. Het is wel erg extreme toepassing van het simplistische idee dat ontsnippering betekent koeienweides aan elkaar plakken. Bovendien, zoals we gezien hebben is runderbegrazing op de Loozerheide in relaties tot de N2000 natuurdoelstelling H3130 niet echt logisch.

Absolute eis voor een goede ecologische verbinding is, dat deze twee gelijke biotopen met elkaar verbindt. De ecologische verbinding waar de meeste behoefte aan is, is een verbinding van droge biotopen. Het zou goed zijn de werelden van de zandverstuivingen en de heischrale ecotypen met elkaar te verbinden. Het zijn juist de soorten van deze habitats, de insecten, vlinders en wilde bijtjes, en die van de korstmossen, de hagedissen en de heikikkers waarvoor uitwisselingen van de soorten nodig is. Ook een recreatieve verbinding over het kanaal is ons inziens zeker op zijn plaats. Combineren we beiden, dan is een eenvoudige wandel-fiets-paard-koets-eco verbinding een oplossing. Het zandige koetspad verschaft waarschijnlijk voldoende verbinding voor de wereld van het droge Kempische zand.

 

Slotopmerking: de echte procesnatuur van de streken rond Weert.

We zijn het eens met Ark dat procesnatuur een belangrijk uitgangspunt zou moeten zijn voor het inrichten van de natuur. Ark dropte het idee “jaarrondbegrazing met sociale groepen taurosachtigen” als een ultieme vorm van procesnatuur. Hier is echter nooit een gefundeerde uitleg bij gegeven evenmin als literatuur of onderzoek verwijzingen. Vaak hoorden we “dat het de opdracht was van de provincie”. Op detailniveau werden vaak goede al dan niet toevallige natuur “ontdekkingen” toegeschoven aan de runderen. Ook werd er denigrerend gedaan over andere vormen van beheer. Daarmee was dan voor Ark de kous af. Meedenken kon niet. Ark wist het allemaal wel. Het gevolg was tweeledig: vooral bleef er een zichzelf constant herhalende discussie over de taurossen plaatsvinden. Op veel kleinere schaal werd er met horten en stoten nagedacht over de zin en de onzin van beheersvormen, en over verleden, heden en toekomst van de natuur van deze streken.

 

Niet te ontkennen valt, dat de focus op de taurosachtigen de aandacht van de echt wezenlijke zaken heeft afgeleid. Dat is jammer omdat het voor de mensen die met de natuur bezig zijn plezieriger is om de natuur op een positieve manier tegemoet te treden, in plaats van jarenlang het gedoe met de taurosachtigen in goede banen te moeten leiden. Jammer is het ook in concrete zin: er had veel meer aandacht en energie uit moeten gaan naar de processen in de natuur die echt van belang zijn, en waaraan Ark haar tijd en energie beter op had kunnen en moeten richten. Ark heeft immers een opdracht. En dat is niet het fokken van taurosachtigen.

 

In het uitvoeringsprogramma van Ark wordt een vrij grote nadruk gelegd op het watergebeuren. We lezen (4.1 inleiding water): “dat het vanwege haar systeembenadering (!) met daarbij ook nog de mee koppelende klimaatdoelstellingen, de mogelijkheid voor watersysteemherstel leidend zal zijn voor de beoordelingen van grondaankopen ten dienste van andere doelstellingen (natuur en landbouw)”. Wat ons betreft had hier veel meer aandacht aan worden besteed mogen worden.

Het verbinden van de tauros-percelen leek echter meer leidend voor de grondaankopen. De inrichting van de nieuwe aankopen was gericht op weides met hoogten en laagten. Daar waar er nu al bijna sinds de komst van Ark mogelijkheden aanwezig zijn voor watersysteemherstel in het gebied rond Wijffelterbroek (Lossing, Raam), aansluitend op het watersysteemherstel dat Vereniging Natuurmonumenten heeft uitgevoerd op de Kettingdijk, is er nog steeds geen uitvoering aan gegeven. Het zou een enorme gemiste kans zijn als Ark straks weer weg gaat (ze zitten nu al in de verlenging), zonder dat deze plannen zijn gerealiseerd. Op deze manier wordt ook Vereniging Natuurmonumenten in een te moeilijke positie gebracht: zij mogen de herinrichting van het watersysteem ter hand nemen, terwijl ze tegelijkertijd vastzitten aan de hen door Ark opgelegde “jaarrondbegrazing met sociale groepen taurosachtigen”. Ik denk niet dat met name het laatste punt hen opgelegd mag worden.

Rond het Areven is de watersysteembenadering kennelijk niet leidend geweest voor grondaankopen. Voor beide gebieden zijn al jaren geleden in het kader van het Nieuwe Limburgs peil aangewezen als prioritaire verdrogingsgebieden. Veel plannen voor het gebied liggen al jarenlang klaar.

 

Een andere vorm van procesnatuur die erg bepalend wordt voor deze streken wordt vaak over het hoofd gezien, en is ook door Ark volledig over het hoofd gezien: de stuifzandnatuur. Zowel grootschalig (Weerter en Budeler bergen) als kleinschalig (Laura gebied, Stramproyerheide, Tungeler Wallen, Oude steeg) was de stuifzandnatuur een zeer bepalend en dynamisch gebeuren. De stuifzanden weer een beetje laten stuiven: het is procesnatuur die voor het grijpen ligt, en die gezien de extreme zeldzaamheid van bijbehorende soorten om een forse impuls smeekt. Het ziet er echter naar uit dat ook dit een gemiste kans wordt.

 

We hopen dat, nu er afgerekend is met het taurosverhaal, de echte procesnatuur van deze streken een kans krijgt. 

 

 

Frans Smit

Ecologische Werkgroep Weert Zuid

29 februari 2016

(Drs. Frans J.F. Smit)