Open brief Commissie Verbetering BegrazingsbeheerArk

                                                                                                                     

Open brief  

 

Aan de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer.

t.a.v. mevr. M. Gresnigt. 

 

Geachte Mevr. Gresnigt / Beste Marleen

 

Namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid heb ik het rapport “Advies Begrazingsbeheer Kempen~Broek” van de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer met zeer veel interesse bestudeerd. Het is u en uw commissie gelukt om op belangrijke onderdelen lijn te brengen in de tamelijk inconsistente situatie rondom de aanwezigheid van de “Taurosachtigen”. Daarvoor onze waardering.

 

Natuurlijk hebben wij een aantal op- en aanmerkingen waarvan wij u en de commissie graag op hoogte willen brengen. Wij menen dat te kunnen doen omdat het rapport openbaar is, en het het gebied betreft dat het werk- en onderzoeksterrein is van de Ecologische Werkgroep Weert Zuid, een vrijwilligersgroep die zich zowel op het gebied van inventariseren als op gebied van beheer bezig houdt met de natuur. Wij hebben dan ook met enige verbazing geconstateerd dat wij op geen enkele manier betrokken zijn bij de aanloop naar het rapport. Helaas zagen wij bij de geraadpleegde stukken ook niet onze site vermeld. Echter, soms kan inbreng in een concept – u schrijft dat “er uiteindelijk een CVB-veiligheidsverbeterplan dient te komen” – zeker zo waardevol zijn. Wij hopen dan ook, dat u onze inbreng accepteert en naar waarde weet te schatten.

 

 

 

SAMENVATTING van de Op en Aanmerkingen van de Ecologische Werkgroep Weert Zuid op het Rapport “Advies begrazingsbeheer Kempen~Broek”van de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer Kempen~Broek.

 

- uitgekomen is het rapport “Advies begrazingsbeheer Kempen~Broek” van de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer Kempen~Broek

- opdracht aan de commissie is “het maken van praktische voorstellen om het veiligheidsgevoel te verbeteren in relatie tot het grazersbeheer”.

- als uitgangspunten worden genoemd: “(1)jaarrondbegrazing met (2)sociale groepen (3)runderen”.

- dit zijn vier uitgangspunten waarvan er drie besproken zullen worden. Begrazing is nm. een uitgangspunt dat onomstreden is. Onduidelijkheid bestaat over wat bedoeld wordt met “sociale groepen”.

- in de verslagleggingen van de bijeenkomsten ter zake is nergens vastgelegd dat er moet worden uitgegaan van “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

- wel komen we in de verslagleggingen regelmatig de begrippen “grazers” en “grote grazers” tegen. In een poging meer duidelijkheid te verkrijgen over deze begrippen is enig literatuur onderzoek gedaan. Belangrijk daarin:

--- in de ijstijden werden deze streken tienduizenden jaren lang bevolkt door de echte grote grazers: o.a. Mammoeten, Wolharige neushoorns, Paarden, Wisenten en Muskusossen. Muskusossen behoren tot de geitachtigen evenals de schapen. Ze hebben zich naar noordelijker streken teruggetrokken bij de opwarming van de aarde, 12.000 jaar geleden. Schapen en geiten  kunnen beschouwd worden als goede opvolgers van Muskusossen. De Oeros was niet echt de opvolger van de Wisent: De Wisent ging achteruit, maar bleef. De Oeros kwam erbij vanuit zuidelijker streken.

--- een poging om duidelijkheid te scheppen in de veelheid van soorten die genoemd worden als er gesproken wordt over “grote grazers”, leidt tot de definitie dat alle planteneters die zwaarder zijn dan 30 kilogram tot de grote grazers gerekend moeten worden.

- geconcludeerd moet worden dat de besluitvormingsprocedure op een dusdanige manier is verlopen dat aan de uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” geen bindende waarde of status kan worden toegekend.

- in principe ligt het niet bij de commissie om een uitspraak te doen over de status van de uitgangspunten. Nu echter de status wordt betwijfeld, lijkt het tot hun positie te behoren om de vraag over de status van uitgangspunten nader (te laten) onderzoeken.

 

- Ark streeft volgens de commissie 4 terreindoelen na in het Kempen~Broek die van belang zijn in relatie met het onderwerp veiligheid: robuuste natuur met natuurlijke processen, openstelling voor bezoekers, fokprogramma tauros en begrazing met natuurlijke kuddes taurosachtigen.

- de commissie concludeert dat deze vier terreindoelen in relatie tot het thema veiligheid niet met elkaar verenigbaar zijn, althans niet in alle huidige begrazingsgebieden. Wij zijn het ten volle eens met hun conclusie.

- als oplossing voor het veiligheidsprobleem in relatie tot deze 4 terreindoelen van Ark, stelt de commissie voor de taurosachtigen te handhaven in gebieden die aan het eind van het eerste kwartaal van 2016 een oppervlakte hebben van minimaal 100 hectare. Een en ander met inachtname van een beheer met natuurlijke sociale kuddes conform de “Richtlijn Sociale Kuddes” die door Ark is opgesteld. Hetgeen naar alle waarschijnlijkheid overeenkomt met de formulering “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

- voor terreinen die kleiner zijn dan 100 hectaren adviseert de commissie de taurosachtigen te vervangen door andere grazers. Aangezien de commissie uitgaat van de noodzakelijkheid van “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”, adviseert de commissie andere runderen in te zetten.

- een goede omschrijving van wat een taurosachtige is en wat niet, ontbreekt. Zodat er waarschijnlijk een discussie zal komen over wat wel en niet andere runderen dan taurosachtigen zijn.

- de commissie heeft hiermede op een consistente wijze voldaan aan de opdracht: ze heeft de begrazing door taurosachtigen bekeken vanuit het standpunt veiligheid. De commissie leek daarbij gebonden aan “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

- echter, zoals gezien bestrijden wij de dwingende status van de uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”.

- zeker voor de gebieden die kleiner zijn dan 100 hectare lijken deze drie uitgangspunten niet van toepassing en als oplossing onnodig geforceerd. Wij zijn van mening dat voor deze gebieden ook naar andere oplossingen gezocht kan worden.

 

- wij signaleren dat er meer terreindoelen zijn die Ark (en/of Vereniging Natuurmonumenten) verplicht is na te komen en die van invloed zijn op de begrazingsplannen 

- andere terreindoelen zijn natuurontwikkeling, anders dan de genoemde ontwikkeling van “robuuste natuur” (wat dat dan ook moge zijn).

- ook de mens in de natuur gaat verder dan alleen “openstelling voor bezoekers”: Mensen maken gebruik van de terreinen voor op natuur gerichte bezigheden: kinderen spelen in en met de natuur, mensen wandelen er, al dan niet vergezeld van de hond, ze inventariseren de flora en fauna, ze fietsen, crossfietsen, rijden paard en mennen hun paard voor de koets.

- het een terreindoel om de aanwezige cultuurhistorie en natuurhistorie in de terreinen  te bewaren.

- Opgemerkt mag worden dat Vereniging Natuurmonumenten met wie Ark nauw samenwerkt in het gebied, ook haar natuurdoelstellingen heeft. Hier lijkt de vraag gerechtvaardigd in hoeverre Ark haar terreindoelen en natuurdoelen kan opleggen aan haar beoogde opvolger die immers haar eigen verenigings en maatschappelijke verantwoordelijkheden heeft.

 

- Wij beperken ons tot de natuur.

Ten aanzien van natuur zijn de volgende doelen van belang:

--- het bereiken van de soortbeschermingsplannen van de provincie zoals overeengekomen in het Uitvoeringsprogramma (als bijlage van de Meerjarenovereenkomst van 2010),

--- het nakomen van deN2000 verplichtingen vanuit het N2000 aanwijzingsbesluit.

--- niet verplicht, maar wel een morele verplichting is het beoordelen van de niet-N2000 gebieden op hun natuurwaarden. Voor de hand liggend is dit te doen volgens de N2000 normen, aangezien aanliggende en omringende natuurgebieden N 2000 gebieden zijn.

- nagegaan moet worden in hoeverre de uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” in overeenstemming zijn met deze terreindoelen

--- soortbeschermingsplannen: Er is een negatieve impact bij Boomkikker en Knoflookpad door vertrapping en verslemping van de oevers en vraat aan de aanliggende vegetatie (braam en bos). Voor Kraanvogel en Wespendief is “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet van wezenlijk belang.

--- N2000 verplichtingen: Loozerheide als geheel en voor het Lauragebied voor de vennen aan de kanaalkant: habitattype H3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met Oeverkruidverbond en het Biesvarenverbond:  “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” is niet verenigbaar met N2000 aanwijzingsbesluit.

Ook t.a.v. de habitatsoorten Kleine modderkruiper (H1149), Kamsalamander (H1166) en Drijvende waterweegbree (H1831) kangeconcludeerd worden, dat in deze gebieden “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet verenigbaar is met N2000 aanwijzingsbesluit t.a.v. de drie genoemde soorten.

--- N2000 moreel: Lauragebied: voor de twee niet aangewezen habitattypen (H2310 zandige heide en H3140 wateren met Kranswieren) is “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” minder geschikt en bovendien voor H2310 onvoldoende van omvang, zodat aanvullend beheer (met schapen) nodig is.

--- niet-N2000 (begrazings)gebieden moreel: deze gebieden hebben soms natuurwaarden op N2000 niveau (bv. Wijffelterbroek), en vaak hoge potenties daarvoor(bv. Stramproyerheide). Er lijkt dan ook weinig plaats voor de beheervorm: “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”. Veeleer lijkt hier beheer op maat op zijn plaats, voorafgegaan door uitgebreide inrichtingsmaatregelen als basis voor een zo groot mogelijke rol van procesnatuur.

- zodat we mogen concluderen dat de taurosachtigen vanwege het veiligheidsprobleem inderdaad beter op terreinen gehouden kunnen worden die groter zijn dan 100 hectaren, maar dat vanwege de verplichte en niet verplichte N2000 doelstellingen voor terreinen van ongeacht welke grootte geldt, dat de uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” beter vervangen kunnen worden door “beheer op maat”.

- “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” kan een vorm zijn van “beheer op maat”, maar lijkt weinig geschikt voor de bedoelde gebieden van Kempen~Broek.

- indien er vastgehouden wordt aan “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” kunnen er op de terreinen kleiner dan 100 hectaren nog steeds taurosachtige problemen ontstaan. Immers: wat is een taurosachtige en wat niet. En hoe staat het met allemaal die experimentele kruisingen voor natuurbegrazing?

-Er zit iets ongerijmds in het vasthouden aan “Jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen op terreinen kleiner dan 100 hectaren. De commissie heeft net overtuigend laten zien dat er voor jaarrondbegrazing met sociale groepen grote eenheden nodig zijn. Het niet kunnen beschikken over grote begrazingseenheden betekent automatisch ook dat de doelstelling sociale groepen niet gerealiseerd kan worden.

 

- de beste grazer voor “beheer op maat” is volgens de Ecologische werkgroep weert Zuid het schaap, gehouden in kuddeverband onder begeleiding van een herder, al dan niet aangevuld met enkele andere grazers als Kempisch koetje, geit en enkele ezels .

--- met het schaap hebben we een grazer die aan alle eisen voldoet en die ook ecologisch beter aansluit bij het rijke verleden van deze streken.

--- de natuurbeleving gaat omhoog omdat de vele kilometers prikkeldraad die zijn geplaatst om de runderen achter te houden, weer weg kunnen.

--- met het schaap wordt er radicaal ontsnipperd. Immers, de rondtrekkende schaapskuddes verbinden natuur, bermen, beken en agrarische percelen. Overal in het landschap hebben schapen een functie. Ze maken het landschap weer tot een eenheid.

 

procesnatuur in het Kempen~Broek

- het is zeker een goede zaak om uit te gaan van procesnatuur. Aan de taurosachtigen als factor van procesnatuur is een veel te grote rol toegekend, waardoor er bovenmatig veel aandacht naartoe is gegaan.

- als verbindende factor bij procesnatuur kan het schaap als grazer een grote rol vervullen door haar grote range van inzetbaarheid.

- streekeigen procesnatuur wordt echter vooral gemaakt door het water dat aankomt uit de Hoge Kempen en dat hier stagneert. Het water kwelt ‘s winters omhoog en zakt ‘s zomers weg. Kortom, een proces in de betekenis van het woord zoals hier bedoeld.

- het is zaak de procesnatuur rondom de natuurlijke waterhuishouding zo goed mogelijk te herstellen. Dit was ook de opdracht aan Ark, mede in relatie tot de opdracht klimaatbuffer

- aan het watersysteem als zodanig heeft Ark echter nog niets wezenlijks veranderd. Aan de Kettingdijk is een begin gemaakt door Vereniging Natuurmonumenten. De Lossing vanuit België loopt nog steeds als een watersnelweg dwars door het Wijffelterbroek en omgeving. Een gemiste kans, ondanks de opdracht aan Ark, en ondanks de daarvoor gronden die al zijn aangekocht.

- Een andere vorm van procesnatuur die erg bepalend is voor deze streken en die vaak over het hoofd wordt gezien, is ook door Ark over het hoofd gezien: de stuifzandnatuur. De stuifzanden zouden weer een beetje moeten stuiven! Het is waardevolle procesnatuur die voor het grijpen ligt. Het ziet er echter naar uit dat ook dit een gemiste kans wordt.

- We hopen dat, nu er afgerekend is met het taurosverhaal, de echte procesnatuur van deze streken een kans krijgt.

 

 

 

 Op en Aanmerkingen van de Ecologische Werkgroep Weert Zuid op het Rapport “Advies begrazingsbeheer Kempen~Broek”van de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer Kempen~Broek.

 

Naamgeving van het rapport:

Uw rapport beperkt zich tot tot de begrazing met taurosachtigen in relatie tot veiligheid. Bij het aandragen van oplossingen beperkt u zich tot “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”. De naamgeving “Advies begrazingsbeheer Kempen~Broek” suggereert een veel ruimere benadering dan het rapport weergeeft.

Misschien kunt u de naamgeving beperking tot runderen en veiligheid, bv:“Advies runderbegrazing en veiligheid Kempen~broek”.

 

Ad punt 1.1: Aanleiding instelling commissie:

 

In de openingszin van uw rapport wordt vermeld dat er een gebiedsontwikkeling wordt voltrokken “die op veel steun van de streek kan rekenen”. Deze opmerking is niet echt ter zake en volgens onze waarneming met name in relatie tot het onderwerp van het rapport ook onjuist. Omdat ze geen consequenties heeft voor uw betoog, lijkt het ons beter een dergelijke onbewezen uitspraak weg te laten.

 

Ad punt 1.2: Opdracht aan de commissie:

Ik wil hier vooral ingaan op de uitgangspunten van waaruit uw commissie het rapport heeft geschreven.

Het doel van het rapport wordt omschreven als: “het maken van praktische voorstellen om het veiligheidsgevoel te verbeteren in relatie tot het grazersbeheer”.

De uitgangspunten formuleert u in bijlage 5: ”opdracht aan de commissie (het Protocol)”: “de keuze van jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen staat daarbij niet ter discussie”. Dit zijn drie uitgangspunten: (a) runderen, (b) sociale groepen (c) jaarrondbegrazing. Het zijn eigenlijk vier uitgangspunten, omdat begrazing op zichzelf ook een uitgangspunt is. In verdergaande zullen we blijven praten over drie uitgangspunten omdat het nut van begrazing op zich nergens in twijfel wordt getrokken. Dat er min of meer regelmatig aanvullende werkzaamheden als uitmaaien en boswerk nodig zullen zijn, doet niets af aan de noodzaak van begrazing.

 

De door Ark voorgestane methode van begrazing (“jaarrond met sociale groepen runderen”) is een keuze. Om de gewenste natuur en natuurdoelen te bereiken, zijn ook andere keuzes mogelijk die in een aantal gevallen meer in overeenstemming kunnen zijn met het beoogde doel. Ons inziens moet gericht gekeken worden welke begrazingsvorm het meest geschikt is om het doel te bereiken. Jaarrondbegrazing met sociale groepen zal niet altijd de meest geschikte begrazingsvorm zijn. In principe zou dit dus wel degelijk ter discussie moeten staan. Er zou vergeleken moeten worden met begrazing op maat.

 

Betreffende drie uitgangspunten zijn misschien niet zonder reden niet overgenomen in de tekst van het rapport. Hier staat als opdracht alleen: “het verbeteren van het veiligheidsgevoel in relatie tot het grazersbeheer”. Dit is een ruime formulering die door de drie bijkomende uitgangspunten wezenlijk vernauwd wordt.

 

Over het doel en de uitgangspunten mag zeker opgemerkt worden, dat ze in het rapport uitstekend bruikbaar zijn gebleken om rechtlijnig naar een goede analyse van het taurosverhaal toe te kunnen werken. Minder bruikbaar zijn ze ons inziens daar waar deze uitgangspunten worden gehandhaafd bij de voorgestelde oplossingen.

 

Doel en uitgangspunten zijn duidelijk, behalve ten aanzien van wat er met de omschrijving “sociale groepen” wordt bedoeld. Uit de tekst valt op te maken dat het gaat om min of meer stabiele betrekkingen tussen de groepsleden. Maar waaraan de samenstelling van de groep zou moeten voldoen om onderling stabiele betrekkingen te verkrijgen, wordt nergens duidelijk gemaakt. Te denken valt dan aan zaken als groepsgrootte, aanwezigheid subgroepjes, leeftijdsopbouw en geslachtsverhoudingen. Genoemde punten lijken mij direct aan minimale aantallen gekoppeld.

 

Wat echter niet duidelijk is, is op welke wijze deze drie uitgangspunten tot stand zijn gekomen en wie de bevoegdheid heeft de commissie tot deze uitgangspunten te verplichten.

Onder het protocol staan geen namen en geen datum. Wel wordt genoemd, dat in formele zin de provincie Limburg als opdrachtgever functioneert en Ark als opdrachtnemer. Dat is juist voor de situatie zoals die in zijn algemeenheid geldt. Voor dit onderdeel heeft deze relatie echter geen consequenties. Provincie Limburg kan en wil Ark deze drie uitgangspunten niet opleggen. Het past niet bij het provinciale beleid om zich met beheer te bemoeien, en er staat ook niets over in het Uitvoeringsprogramma als bijlage bij de Meerjarenovereenkomst zoals Provincie en Ark overeen zijn gekomen op 14 sept. 2010. Ark is echter wel degene die de commissie  uit haar budget financiert. In zoverre is Ark direct een bijzondere opdrachtgever van de commissie. De opdracht zelf is vastgesteld door veel meer vertegenwoordigingen: op 2 juli is er een overleg gezamenlijk overleg geweest.

 

De vraag blijft dus, op welke manier deze uitgangspunten in het protocol hun plaats hebben weten  te vinden, en in hoeverre de daaromtrent  gevoerde procedure juist c.q. geldig is.

 

Om hierop een antwoord te kunnen geven moeten we de verslaglegging van de ter zake bijeenkomsten daarop nagaan.

In het Bestuurlijk overleg van 15 april 2015 tussen provincie Limburg, gemeente Weert en Stichting Ark staat een soortgelijke formulering als de aangehaalde. In de afsprakennota staat: “het uitgangspunt voor systeembeheer met grote grazers staat op zich niet ter discussie”. De formulering “staat op zich niet ter discussie” kan in de context van een dergelijk overleg slechts opgevat worden als: provincie en gemeente hebben op zich geen bezwaar tegen een door Ark gewenste beheer met grote grazers. Overigens wordt hier gesproken over systeembeheer, d.w.z. beheer op maat. Er wordt níet gesproken over procesbeheer waaruit bv. jaarrondbegrazing met sociale kuddes geconcludeerd zou kunnen worden.

In het aangehaalde overleg tussen provincie Limburg, Ark, gemeente Weert en dorpsraden (én Vereniging Natuurmonumenten én bewoners, én LLTB) van 2 juli 2015 wordt ook geen voorkeur uitgesproken voor de uitgangspunten zoals opgenomen in het protocol. In de verslaglegging van dit overleg, waarin met name de gemaakte afspraken zijn vastgelegd, zijn deze punten niet terug te vinden. 

Ook in volgende documenten zoals het Voorstel Verbetering Grazersbeheer, ongedateerd, maar naar het zich laat aanzien verschenen naar aanleiding van het overleg van 2 juli 2015, evenals in verslagleggingen van overleggen zoals van de Klankbordgroep, is, voor zover ik deze kan bekijken, niets terug te vinden over de vaststelling van betreffende uitgangspunten. Uit de verslagleggingen blijkt wel, dat er in de tijd gezien steeds meer vanuit wordt gegaan dat er grote grazers moeten komen. Tegelijkertijd blijkt ook steeds duidelijker, dat de invulling van de soort grote grazer met de lokale bevolking in de klankbordgroep overlegd zou moeten worden.

Telkens wordt er gesproken over soort. Men spreekt niet over ras. Soort slaat op rund of paard of schaap of ree, of hert enz. Daaruit mag de lokale bevolking dus (mee) kiezen! Binnen de soorten zou men bovendien mee moeten kunnen kiezen voor een ras. Hoewel de term ras niet wordt gebruikt, valt duidelijk op te maken uit de tekst dat hier ook een keuze uit rassen wordt bedoeld.

 

Op deze plaats is het goed om nader te omschrijven wat verstaan moet worden onder ”grote grazer”.

Grote grazer lijkt een voor de hand liggend begrip, maar is het absoluut niet. Het blijkt een verwarrend begrip. Laten we daarom een poging tot analyse wagen, mogelijk als aanloop naar een eenduidige definiëring.

“Grazer” is een ruimer begrip dan alleen gras-eter, en kan gedefinieerd worden als planten-eter (herbivoren dus). “Groot” kan hier in meerdere betekenissen worden opgevat: groot van postuur, en groot in de zin van grote hoeveelheden planten die gegeten worden. Daarbij is het de vraag of groot slaat op het formaat van de planteneter, of dat het slaat op de hoeveelheid plantenmateriaal dat gegeten wordt. Vervolgens is het de vraag of het gaat om de hoeveelheid materiaal die één planteneter opeet, of de hoeveelheid die door de aanwezigheid van één soort planteneters wordt opgegeten.

De geneigdheid is groot om als eerste reactie op het woordgebruik “grote grazer” te denken aan de hoeveelheid plantenmateriaal die door één fors uit de kluiten gewassen eter wordt opgegeten. Veel literatuur is er niet over dit onderwerp. Echter, duidelijk is wel, dat de term “grote grazers” vooral gebruikt wordt voor de gedeeltelijk uitgestorven planteneters uit het pleistoceen, de ijstijden dus: Mammoeten, Wolharige neushoorns, paarden, Wisenten en Muskusossen. Er waren overigens nog geen Oerossen tijdens het pleistoceen in onze streken. Oerossen zijn pas naar noordelijker streken gaan trekken nadat de aarde begon op te warmen in het holoceen, 12.000 jaar geleden. Muskusossen, die er in het pleistoceen wel waren, staan dicht bij de schapen en de geiten... (allen behoren tot de onderfamilie geitachtigen (Caprinae). Voor dit verhaal is het een interessante gedachte dat binnen de groep geitachtigen die hier tienduizenden jaren vertegenwoordigd is geweest door de Muskusossen, schaap en geit wel eens een zeer adequate opvolger voor deze “ossen”zouden kunnen zijn.

Sinds er ook runderen en paarden ingezet worden om natuurgebieden te begrazen, blijkt het begrip “grote grazers” in het dagelijks spraakgebruik een andere betekenis gekregen te hebben. Het begrip blijft gebonden aan het gevoel dat wij hebben bij een groot dier. Maar in de literatuur waarin het begrip wordt gebruikt, blijken ook Damherten en Reeën algemeen beschouwd te worden als grote grazer. In de Arkvisie “Natuur in Weert”, zoals opgetekend door de Grontmij in maart 2012, wordt in het onderdeel 4, Duurzame wildernisnatuur, over Grote grazers gesteld: “uiteindelijk zullen Edelhert, Wild zwijn en Bever de belangrijkste grazers zijn, maar vooralsnog vervullen runderen en paarden deze rol”.

Het gewicht van een goed uitgegroeide Ree is ongeveer 30 kilogram. Een Bever is ongeveer even zwaar. Daaruit voortvloeiend zou de definitie van een “grote grazer” dan moeten zijn: een grazer met een volwassen gewicht van meer dan 30 kilogram. Ter vergelijking: onze Nederlandse Landgeit is zwaarder, het gewicht van onze inlandse schapenrassen is minstens anderhalf maal zo groot.

Een definitie van “grote grazer” aan de hand van de hoeveelheid plantenmateriaal dat door één dier opgegeten wordt, zal ongeveer parallel lopen aan het gewicht van dat dier, en is op zich niet interessant.

De definitie op basis van de hoeveelheid plantenmateriaal die door een aanwezige soort wordt opgegeten is dat weer wel. Als voorbeeld kunnen we kijken naar wat zich momenteel afspeelt in de duinen. Konijnen hebben daar eeuwenlang de vegetatie kort gehouden. Nu de konijnen er door ziekte verdwenen zijn, laten we hun plaats innemen door.... Wisenten. Wil de echte grote grazer opstaan.... De definitie van grote grazer lijkt hier dus meer bepaald door totale hoeveelheid plantenmateriaal die gegeten wordt door een populatie (totaal aantal kilo’s grazersoort), dan door soort en grootte van de dieren (individueel aantal kilo’s).

Uit dit alles volgt, dat het begrip “Grote grazer” zonder betere definiëring een onbruikbaar begrip is. Beter is het uit te gaan van de meer objectieve term “grazers”. Dit begrip wordt overigens ook herhaaldelijk in de genoemde stukken over dit onderwerp gebruikt.

Het lijkt mogelijk dat opdrachtnemer Ark en de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer ook gestuit zijn op het probleem van de onbruikbaarheid van het begrip “grote grazer”. Dit zou de uitvoering van de opdracht erg in de weg hebben gestaan. Door de opdracht in te perken tot runderen, kon het onderzoek gericht gaan over de veiligheid en de relatie tot de taurosachtigen.

 

In het persbericht van 27 nov. 2015 duikt voor het eerst de formulering van de drie uitgangspunten op: “de keuze van de jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen staat daarbij niet ter discussie”. Mogelijk is, dat op het overleg van 22 okt. 2015 de uitgangspunten ter sprake zijn gekomen. Hier is echter geen verslag van. Wel worden er in de klankbordgroep van 1 dec. opmerkingen gemaakt: “jaarrondbegrazing is wel erg stellig opgenomen in het persbericht. Op 22-10 is wel aangegeven uit te gaan van grote grazers, maar niet perse van jaarrondbegrazing”.

 

Het lijkt er dus op dat de besluitvorming ten aanzien van de uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet op de juiste wijze tot stand is gekomen.

 

Vooralsnog kunnen wij echter niets anders dan concluderen dat de drie genoemde uitgangspunten aan de commissie niet vanuit een juiste besluitvormingsprocedure zijn aangereikt, en dat ze daarom niet bindend waren en zijn.

De drie punten geven wel goed weer wat de cruciale punten ten aanzien van de veiligheid zijn. De commissie is echter voor hun adviezen voor probleemoplossing niet aan deze uitgangspunten gehouden.

Anders gezegd: Oplossingen hoeven niet te liggen in het verlengde van de drie uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”. Andere oplossingen zijn ook mogelijk.

 

 

ad H2: Overwegingen en bevindingen.

 

ad punt 2

In dit punt stelt u dat er een gevoel van onveiligheid heerst bij een aantal omwonenden en bezoekers door de aanwezigheid van de taurosachtigen, en dat u dat gevoel serieus neemt. U laat daarbij in het midden of het gevoel van onveiligheid al dan niet op realiteit is gebaseerd. Met het woord “gevoel van” suggereert u een emotie die niet op realiteit is gebaseerd. Ons inziens betreft het hier echter een zeer reële reactie op een concrete situatie van onveiligheid waarop geanticipeerd zal moeten worden. Deze “beleving” is nodig om adequaat te kunnen handelen in relatie tot runderen bij het betreden van hun wei. In veel gevallen zal een adequate reactie eruit bestaan om niet de wei te betreden. In sommige gevallen is het een adequate reactie om afstand te bewaren, waarbij die afstand echter vaak beduidend veel ruimer zal moeten zijn dan 25 meter.

 

ad punt 3:

Hierbij ben ik zo vrij op te merken, dat het lastig is agressie te beoordelen als er geen omschrijving wordt gegeven over wat agressie is. Mag ik dat als gedragswetenschapper proberen?!

Agressie kan omschreven worden als destructief gerichte energie. Wat de aanleiding is van agressie, is daarbij van ondergeschikt belang. Verder is het optreden van agressie ten alle tijde het gevolg van een combinatie van twee componenten, aangeboren gedrag en leergedrag, ook wel bekend als aanleg en milieu. Met deze bagage wordt gereageerd op een situatie. Agressie in de zin van destructief gedrag als reactie ergens op, is in alle gevallen niet te tolereren.

Voor de aanleidingen voor agressie zoals die in punt 3 geanalyseerd worden, is het van belang, dat er altijd een component aanleg meespeelt. Het lijkt er echter op of hier agressief gedrag vergoelijkt wordt vanuit de oorzaak, terwijl het mij lijkt te gaan om oorzaken die eigenlijk niet tot agressie zouden mogen leiden.

Hetzelfde benadering geldt in wezen ook voor de “natuurlijke agressie” waarvoor men geneigd is een grotere acceptatie aan de dag te leggen: bv. beschermingsdrang van de jongen. Slechts als dit gedrag adequaat is, kan het niet worden benoemd als destructief, en valt het volgens de definitie niet onder agressie. Het blijft echter wel gevaarlijk gedrag. Zodoende moeten we ons ook in deze gevallen afvragen in hoeverre dit gedrag te combineren is met de functie van openbaar terrein en openbare ruimte.

Natuurlijk sluit dit verhaal niet uit, dat aan de omgevingskant factoren die zouden kunnen leiden tot agressie en gevaarlijk gedrag vermeden moeten worden. In zoverre verandert mijn opmerking niets aan deze conclusie uit uw rapport.

Echter, de openingszin van dit punt “er lijkt geen sprake te zijn van inherent agressief gedrag van de Taurosachtigen”, zou dus beter gewoon achterwege gelaten kunnen worden.

 

ad punt 4:

In dit punt wordt gesteld dat Ark vier terreindoelen nastreeft, elk met zijn eigen belangen en eigen voorwaarden.

Deze vier terreindoelen zijn geselecteerd in relatie tot het onderwerp veiligheid en zijn daarmee geldig en functioneel.

Er zijn echter meer terreindoelen dan deze vier. Ze liggen op het gebied van natuurdoelstellingen en worden geformuleerd of opgelegd door provincie en landelijke en Europese regelgeving (N2000). Opgemerkt mag worden dat Vereniging Natuurmonumenten met wie Ark nauw samenwerkt in het gebied, ook haar natuurdoelstellingen heeft. Hier lijkt de vraag gerechtvaardigd in hoeverre Ark haar terreindoelen en natuurdoelen kan opleggen aan haar beoogde opvolger die immers haar eigen verenigings en maatschappelijke verantwoordelijkheden heeft. 

Dat de commissie zich beperkt tot het onderwerp veiligheid is haar opdracht. Dat betekent echter niet, dat het laatste woord gezegd is nadat er oplossingen of oplossingsrichtingen voor het veiligheidsprobleem naar voren zijn gebracht. De aangedragen oplossingen zullen getoetst moeten worden aan de andere doelstellingen en regelgevingen. Indien de commissie een eindoplossing wil geven, kan de commissie zich daarbij niet laten begrenzen door haar opdracht. In dat geval zal ze de andere doelstellingen waaraan Ark moet voldoen, moeten meewegen.

 

Toetsing aan andere terreindoelen: natuurdoelen.

 

Toetsing aan de natuureisen van de provincie:

De provincie heeft de aankopen die hebben plaatsgevonden geïnitieerd en gefinancierd met gemeenschapsgeld. Vanuit die positie heeft de provincie het recht ook haar eisen te stellen. Dhr. T. Mulder van de provincie formuleert hier tijden het overleg van 2 juli 2015 het volgende over: “Randvoorwaarde is, dat de beheerder (minimaal) zorgt voor de instandhouding van de bij het begin van de subsidieperiode aanwezige natuurwaarden”.

De provincie gaat ervan uit dat het een belangrijk terreindoel blijft, dat Ark de terreinen die verworven zijn met als doel uitbreiding van de natuur, inricht binnen het kader van het natuur en landschapsbeleid van de provincie Limburg,

(H3.3. van de Uitvoeringsovereenkomst). Voor de soortbeschermingsplannen (H 3.3, pMJP-code Ntr.3.2) worden een aantal soorten vermeld, maar de paragraaf blinkt niet uit door helderheid over de deelgebieden waar Ark werkzaam is. De Boomkikker wordt genoemd, maar de soort wordt niet opgenomen in de soortbeschermingsplannen die Ark wil uitvoeren. Tegelijkertijd werd in de beginjaren van de aanwezigheid van Ark in Weert, de Boomkikker wel naar voren geschoven en gepropageerd als doelsoort. Daarmee werd de Boomkikker ook de eerste confrontatie tussen Ark en de Ecologische Werkgroep Weert Zuid. Kikkerpoelen die uitstekend geschikt waren als moederpoel voor eventueel voorbijkomende Boomkikkertjes, werden - ondanks ons protest - vrij toegankelijk gemaakt voor de runderen. Deze vraten al snel de wezenlijk noodzakelijke braamstruwelen weg. De poelen werden uiteindelijk gedempt vanwege Watercrassula, een invasieve waterplant, exoot uit aquariums. Nieuwe poelen werden niet gegraven, de laagtes die gegraven werden als terreininrichting zouden volgens de Arkvisie prima geschikt zijn. Zo werkt het echter niet in onze streken. Laagtes die op de een of andere manier, zelfs via nat gras, met elkaar in verbinding staan, worden al snel bevolkt door de Amerikaanse Hondsvis, een soort die goed gedijt in het zure water van hier. Al het andere leven in het water wordt door hen opgevreten, inclusief Boomkikkertjes en hun kikkervisjes. Vloeiweides langs de Abeek die werden vergraven tot laagtes om de Boomkikker vanuit België te kunnen ontvangen, werden al direct bevolkt door de Zonnebaars, een zeer geduchte rover uit tuinvijvers die volop in de erlangs stromende Abeek zit. Het is goed om een streek te kennen, of te luisteren naar mensen die de streek kennen. Beide was niet het geval. De Boomkikker is dus nog niets verder gekomen dan waar hij al een tiental jaren geleden was: in België.

In de soortbeschermingsplannen van Ark worden Otter, Kraanvogel, Monniksgier, Lynx en Oerrund genoemd. Bij het Oerrund is de wens de vader van de gedachte: het is een uitgestorven soort waar niets meer aan te beschermen valt, helaas. De andere soorten zijn erg hoog gegrepen. Het is voor Ark te hopen dat de provincie hen niet afrekent op deze soorten. De Otter is naar het zich laat aanzien uitgezet, maar verder wordt er door ons niets meer over vernomen.

 

Het lijkt erop dat de soorten van de soortbeschermingsplannen die genoemd worden in de Uitvoeringsovereenkomst, nauwelijks relatie hebben met een specifieke begrazingsvorm. In hun algemeenheid zijn het soorten die gebaat zijn bij een zekere mate van verruiging en uitgestrektheid. De uitgangspunten “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” zijn ermee niet in strijd, maar zijn ook geen voorwaarde.

 

Ark legt op dit moment (anno februari 2016) op hun site een tiental andere soortbeschermingsplannen voor. Enkele plannen zijn vooral gericht zijn op Zuid Limburg (Wilde kat, Geelbuikvuurpad, Oehoe en Hazelmuis).

Enkele andere plannen zijn gericht op heel Limburg en dus ook op Kempenbroek, zoals een ”Samenwerkingsverband Wolven” en “Dood doet leven”. Waarschijnlijk valt ook het Otterplan hier te plaatsen, maar wordt niet genoemd. Ook het Dassenplan wordt niet genoemd. Bekijken we de noodzaak van “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” voor deze soorten, dan zien we ook hier, dat dit geen voorwaarde is voor deze plannen. Wolven komen toch wel, met of zonder runderen, dode runderen mogen wettelijk niet in de natuur blijven liggen, en otters zijn aan water en aan vis gebonden. Dassen hebben baat bij koeienvlaaien vanwege de insecten die eronder zitten. Vandaar dat we dassen ook vaak in “cultuurlandschappen” vinden waar boeren hun runderen nog weidegang geven.

Redelijk specifieke soortbeschermingsplannen voor het Kempenbroek zijn Wespendief, Knoflookpad, Kraanvogel en “Oerrund”. Het soortbeschermingsplan over oerrund gaat over de tauros, en dat is, ook volgens de commissie, als soort gewoon een rund, maar zelfs geen ras, laat staan een te beschermen ras. Kraanvogel lijkt geen optie voor de streek vanwege de verstoringsgevoeligheid: er moet 500 mtr afstand van de nestgelegenheid worden gehouden. Dat is dus een cirkel met een straal van één kilometer, dus een oppervlakte van bijna 80 hectaren waar geen mensen zouden mogen komen. Dit is een erg scheve verhouding, ook al gezien het feit dat het de Kraanvogel Europees en mondiaal gezien goed gaat. Het soortbeschermingsplan Wespendief is in feite een zeer gedegen onderzoek naar de Wespendief dat alle lof verdient. De soort staat op de Europese vogelrichtlijn, vrij vertaald is het een N2000 soort. Ook het soortbeschermingsplan van de erg zeldzame Knoflookpad (N2000 soort) verdient alle lof. Bovendien zijn er vele knoflookpadden uitgezet in de laagtes die Ark bij verschillende van haar herinrichtingen gerealiseerd heeft. Het is te hopen dat ze ontkomen aan de predatiedruk van de Hondsvis. Ook moet afgewacht worden in hoeverre de vertrapping van de oevers door de runderen van invloed zal zijn. Mij lijkt dat overal de mate van vertrapping van de oevers erg groot is, hetgeen verminderde kansen lijkt te scheppen voor de knoflookpad. Immers, de knoflookpad houdt van los zand dichtbij de poelen. Jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen lijkt hier dus een risicofactor.

Samengevat lijkt voor de op Kempenbroek gerichte soortbeschermingsplannen “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet van wezenlijk belang. De Wespendief zal zeker baat hebben met het halfopen landschap dat daarvan het gevolg zal zijn, maar ook andere soorten begrazing en beheer zullen dit kunnen bewerkstelligen. De Kraanvogel lijkt vooral baat te hebben bij maatregelen die de verstoring tegengaan. Mogelijk, zo niet waarschijnlijk, is er zelfs een negatieve impact bij Boomkikker en Knoflookpad door vertrapping en verslemping van de oevers en vraat aan de aanliggende vegetatie (braam en bos).

 

Toetsing aan de Natura 2000 doelstellingen.

De gebieden waar “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” bekeken moet worden vanuit de N2000 doelstelling, zijn Loozerheide, Lauragebied en Smeetshof. Loozerheide en Lauragebied vallen onder het aangewezen N2000 gebied “Weerter en Budeler bergen en Ringselven”. Smeetshof in België is vanuit vogelrichtlijngebied /N2000 gebied geworden.

De Loozerheide is via Ark door Vereniging Natuurmonumenten aangekocht van zinkfabriek Nyrstar. Er lag voor dit gebied al een verplichting tot overdracht aan Vereniging Natuurmonumenten in het kader van het DIC, een voorgenomen uitbreiding van de zinkfabriek. Ark heeft de bij een viertal eigenaren in bezit zijnde landbouwenclave verworven en ingericht. Deze enclave lag in een laagte middenin het gebied. De waterhuishouding is zodanig aangepast dat het gebiedseigen water niet meer wordt afgevoerd, zodat de laagte permanent watervoerend is. Momenteel wordt de Loozerheide als een geheel begraasd door een kudde taurosachtigen en een kudde Exmoor pony's.

De Laurabossen zijn van gemeente Weert en worden door Vereniging Natuurmonumenten in erfpacht beheerd. De Lauraheide is van Defensie. Aan de Belgische kant totaan Smeetshof ligt het Kettingdijkgebied van Vereniging Natuurmonumenten. Dat gebied is net heringericht. Richting Zuid Willemsvaart liggen de Q percelen van Ark.

Ook Smeetshof in België is N2000 gebied en is in bezit van Natuurpunt. Tussen Smeetshof en het Wijffelterbroek heeft Ark gronden van boerderij Ooms, de z.g.“enclave Ooms”, gekocht, en weer doorverkocht aan Natuurpunt. Als tegenprestatie zou Smeetshof vijf jaar lang opgenomen moeten worden in de begrazingseenheid met taurossen. Vanwege de doorlopende wandelroutes heeft Gemeente Bocholt echter besloten dat de wandelroutes niet in het begrazingsgebied mogen komen te liggen, zodat de taurosachtigen slechts een klein deel van Smeetshof mogen begrazen. Naast “enclave Ooms” van ongeveer 18 hectare, gaat het om een perceel aansluitend aan het Wijffelterbroek dat begrensd wordt door de Smeetshofweg die naar boerderij Ooms loopt. Ook het wandelpad richting grensovergang fungeert als tauros-grens. De grootte van dit perceel is ongeveer 30 hectare. Hoe dan ook zal “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” hier weinig veranderen aan de situatie zoals die er al was, voor zover het de natuur betreft althans. Op Smeetshof werd altijd al jaarrond begraasd met runderen. Een herinrichting van het gebied zal een veel wezenlijkere bijdrage leveren aan de potentieel hoogwaardige natuur dan een verandering van runderras.

 

We zullen alleen die habitattypen en soorten in ogenschouw nemen die van toepassing zijn voor genoemde gebieden en die als zodanig in het N 2000 aanwijzingsbesluit zijn vastgelegd.

Van toepassing is het habitattype H3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met Oeverkruidverbond en het Biesvarenverbond. Het doel hiervoor is uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Uitbreiding oppervlakte is een inrichtingskwestie. Vooral aan weerszijden van het kanaal moet hier nog een flinke inhaalslag gemaakt worden. De kwel uit het kanaal zorgt hier voor een zwakke buffering, dat wil zeggen dat door toevoer van kwel het water minder zuur wordt. Het ziet ernaar uit dat Ark deze herinrichting aan Vereniging Natuurmonumenten wil overlaten. Wij vinden echter wel, dat Ark hier een morele verplichting heeft. Ark heeft de grondtransacties voor de Centrale Zandwinning geregeld, waardoor veel hoogwaardige natuur van type H3130 verloren zal gaan. Dit terwijl er voor dit type dus een uitbreidingsdoelstelling is. Daar mag wel iets tegenover staan.

Verbetering van kwaliteit van stilstaande wateren heeft veel te maken met beheer. Onze ervaring is, dat er uit moet worden gegaan van mesotrofe, dus redelijk voedselarme c.q. matig voedselrijke situaties (mesotroof). Runderen die dagelijks de relatief kleine poelen bezoeken om er te drinken, zullen er ook hun mest achterlaten. Bovendien zijn de planten van het bedoelde verbond redelijk teer, zodat ze gevoelig zijn voor vertrapping. Begrazing kan dan ook alleen als er een uitgebreide en stabiele begroeiing van een of beide verbonden aanwezig is, en bovendien de begrazingsdruk erg laag is. Aan beide voorwaarden wordt zeker op de Loozerheide niet voldaan. Gezien de grootte en het aantal poelen zal noodzakelijke uitrastering hier moeilijk worden. In relatie tot taurossen zal er hier bovendien al snel een te kleine begrazingseenheid voor hen ontstaan. Opgemerkt mag worden dat uitrastering al beleid is bij Vereniging Natuurmonumenten (zodat er ook een flink stuk van de Loozerheide buiten de begrazingseenheid is gehouden, iets om ook rekening mee te houden met de oppervlaktenorm van 100 hectaren). Ook in het Lauragebied worden door V.NM de poelen aan de kanaalkant uitgerasterd. Technisch is het een goede oplossing om de afrastering in het najaar enkele weken open te zetten om de runderen de overtollige begroeiing op te laten vreten. Op die manier ben je overigens bezig met “begrazing op maat”.

 

Geconcludeerdmoet worden, dat “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet verenigbaar is met N2000 aanwijzingsbesluit t.a.v. habitattype H3130: Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met Oeverkruidverbond en het Biesvarenverbond. Dit geldt voor de Loozerheide als geheel en voor het Lauragebied voor de vennen aan de kanaalkant.

 

De aangewezen soorten van de habitatrichtlijn zijn Kleine modderkruiper (H1149), Kamsalamander (H1166) en Drijvende waterweegbree (H1831). Alleen voor de laatste soort geldt een uitbreidingsdoelstelling.

In meerder of mindere mate geldt voor deze soorten hetgeen in bovenstaande gezegd is: Kamsalamander en Drijvende waterweegbree zijn soorten die het beste gedijen in mesotroof water. Kleine modderkruiper is wat dat betreft flexibeler, maar heeft behoefte aan vegetatie. Begrazing zal pas kunnen als er een stabiele populatie aanwezig is, en de begrazingsdruk erg laag is. Aan beide voorwaarden zal pas kunnen worden voldaan als er beheer op maat wordt toegepast, zoals hierboven beschreven.

 

Ook hier kan geconcludeerd worden, dat “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” niet verenigbaar is met N2000 aanwijzingsbesluit t.a.v. de drie genoemde soorten. Met name geldt dit voor de Loozerheide als geheel en voor het Lauragebied voor de vennen aan de kanaalkant.

De soorten uit de vogelrichtlijn die zijn opgenomen in het N2000 aanwijzingsbesluit: Nachtzwaluw (A224), Boomleeuwerik (A246) en Roodborsttapuit (A276). Doel voor de drie soorten is behoud van omvang.

Voor deze soorten moet er vooral gekeken worden naar het Lauragebied, en daar met name naar de heide. De drie soorten houden van open ruimte en houden zich op in de aanliggende bosranden. De Lauraheide is van Defensie, en momenteel opgenomen in een gezamenlijke begrazingseenheid met Vereniging Natuurmonumenten. Vooral echter wordt de heide begraasd met een gescheperde kudde schapen, waardoor er een gestage vooruitgang van de heide zichtbaar is. Of deze samenwerking in relatie met “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” ook blijft indien er taurosachtigen worden ingezet, is mij niet bekend. Met name voor de Nachtzwaluw zou dit een (klein) risico kunnen zijn omdat de soort een bodembroeder is.

 

Geconcludeerd mag worden, dat het niet waarschijnlijk is dat “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” de N2000 doelstelling voor deze soorten van de vogelrichtlijn in de weg staat.

 

Bij de aanwijzing van de habitattypen en soorten voor N2000 is uitgegaan van de aanwezigheid van het type en de soorten in het betreffende gebied, en in hoeverre daarmee een bijdrage geleverd zou kunnen worden aan de instandhouding ervan. Soms liet men in aanvulling daarop soorten meeliften waarvoor een Europese N2000 bescherming gold en die in het gebied voorkwamen, maar die vanuit dat gebied slechts een aanvullende bijdrage zouden kunnen leveren aan de instandhouding van soort of habitattype.

- Voor het Lauragebied is het jammer dat op die manier de doelstelling H2310: Psammofiele heide met Stekelbrem en Kruipbrem niet is aangewezen. In onze ogen heeft het gebied hiervoor alle potenties en is er een morele verplichting om flinke delen in die richting te ontwikkelen.

Ontwikkeling en instandhouding van het Lauragebied in deze richting zal niet gerealiseerd worden door “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen”. Uitbreiding zal tot stand moeten komen door gerichte kap van het productiedennenbos dat is aangeplant ten behoeve van de (Laura)mijnbouw. Aanvullend zal gescheperde begrazing met schapen nodig zijn, zoals nu op het aanwezige stuk heide uitgevoerd wordt door Defensie.

Op de vennen in (en buiten) het Lauragebied langs het kanaal zou H3140: Kalkhoudende mesotrofe wateren met Kranswieren, van toepassing kunnen zijn.

 

Geconcludeerd mag worden dat voor deze twee habitattypen (H2310 en H3140) “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” in het Lauragebied minder geschikt en onvoldoende zal zijn. Wij pleiten dan ook voor (al dan niet aanvullende) schapenbegrazing met een gescheperde kudde.

 

- Voor Smeetshof heb ik opgegeven gekregen dat daar als N2000 aanwijzing de volgende soorten aangewezen zijn: Grauwe klauwier, Roerdomp, Knoflookpad, Boomkikker, Porseleinhoen.

Smeetshof kent al langer een beleid van jaarrondbegrazing, dat bovendien gecombineerd wordt met selectief maaien en afvoeren. Hoewel er op Smeetshof zo nu en dan spectaculaire resultaten behaald worden (broedgeval Grauwe klauwier, Bever, Otter) lijkt het, dat een wezenlijke vooruitgang toch zal moeten liggen in een aantal te nemen inrichtingsmaatregelen als vernatting met gebiedseigen water en afgraven van voedselrijke grond. Op dit moment is begrazing een antwoord op de aanwezige situatie. In zoverre zal begrazing met taurosachtigen op de toegestane percelen geen wezenlijke verandering betekenen. Indien er een uitbreidingsverplichting geldt voor enkele soorten (ik denk bv. mogelijk voor Boomkikker en Knoflookpad), dan kan deze plaatsvinden buiten de huidige begrazingseenheid die uiteindelijk slecht ongeveer 50 hectare bedraagt. Smeetshof is vele malen groter.

 

Toetsing van “jaarrondbegrazing met sociale groepen runderen” aan belangrijke biodiversiteitswaarden, geselecteerd aan de hand van de N2000 habitatdoelstellingen.

Niet al de gebieden waar Ark en Vereniging Natuurmonumenten werkzaam zijn vallen onder de aanwijzing Natura 2000 gebied. Aangrenzend aan het Laura gebied liggen de Q percelen van Ark. Vereniging Natuurmonumenten is eigenaar van het Kettingdijkgebied en heeft dit voor een groot gedeelte kort geleden nieuw ingericht. Het Wijffelterbroek grenst aan N2000 Smeetshof, maar is zelf geen N2000. Aanliggend aan het Wijffelterbroek bezit Ark het Kwaoj Gaat, de Graus en de Raamweides. Iets stroomafwaarts langs de Raam en Tungelroyse Beek ligt het Brook, voor het overgrote deel in bezit van vereniging natuurmonumenten. De Stramproyerheide grenst aan Wijffelterbroek en Smeetshof en is gedeeltelijk in bezit van vereniging Natuurmonumenten, Ark en particulieren. De weides langs de Abeek grenzen aan Stramproyerbroek dat ook N2000 is. Tussen Stramproyerheide en de weides langs de Abeek ligt Siendonk, dat door Ark aangekocht en ingericht is.

Het is richtinggevend om de in deze gebied reeds aanwezige en potentiële natuurwaardes uit te drukken in N2000 normen.

We kunnen dat doen in navolging van hetgeen onlangs bij de hernieuwde N2000 wetgeving van het Europees parlement werd gesteld, nm. dat biodiversiteit een overweldigende intrinsieke waarde heeft die moet worden beschermd voor toekomstige generaties. In punt 71 van dezelfde wetsbehandeling wordt gesteld dat biodiversiteitsverlies buiten beschermde natuurgebieden als een hiaat in de strategie wordt beschouwd.

Overigens verstaat het Europese parlement onder biodiversiteit “de unieke variatie aan ecosystemen, habitats, soorten en genen op aarde, waarvan de mens ook deel uitmaakt”.