Zienswijzen Ontgrondingswet en Natuurbeschermingswet

Ze zijn alvast begonnen ! foto Frans.
Hallo mensen
 
Eindelijk weer iets klaar. Nu de zienswijze op de uitbreiding van de ontgronding van de CZW zandwinningsplas. Met zo een stuk ben ik al gauw een paar weken zo intensief bezig, dat ik voor de rest alleen hoogst noodzakelijke dingen doe (ook nog best veel, hoor). Dat betekent ook, dat er nu veel moet worden ingehaald. Inventariseren bv. Dus als er mensen zijn met voorstellen, hoor ik het graag!
 
De zienswijze(n) over de CZW was behoorlijk lastig. Ik probeer het even uit te leggen :-)  In feite was ik drie of vier zienswijzen aan het schrijven, terwijl het gaat om twee zienswijzen die elkaar overlappen. CZW heeft een Ontgrondingsvergunning nodig om een zandgat te mogen graven. Daarnaast is er Natuurbeschermingsvergunning nodig, omdat de voorgenomen ontgronding toch wel erg dicht bij N2000 gebieden ligt (Kruispeel en de Boshoverheide aan de andere kant van het kanaal). Daarbij komt de vergunning voor de Flora en Faunawet, die eigenlijk altijd wel nodig is. Maar wat het hier vooral zo moeilijk maakt, is de rol van de politiek. Ontgrondingsvergunning en Natuurbeschermingsvergunning liggen bij de provincie. Maar de provincie kon pas besluiten nadat de gemeenteraad beslissingen had genomen. Tegen de beslissingen van de gemeente(raad) (de realisatievergunning) is geen zienswijze of bezwaar mogelijk, terwijl juist hier besloten is over wezenlijk belangrijke punten. Wel kunnen we proberen via een omweg hier het nodige tegenin te brengen. Omdat de realisatievergunning wordt opgenomen in de Ontgrondingsvergunning, en de provincie daarin eisen stelt bv. aan natuur en aan de maatschappelijke compensatie ( de ontgronder moet iets terug doen voor de Weertse gemeenschap) kan de provincie ook bv. zeggen dat er te weinig wordt teruggedaan voor Weert (wat dus volgens mij absoluut het geval is). Wij kunnen dus op die manier tegen de provincie zeggen dat Weert het niet goed heeft gedaan. Het verhaal over de natuur is duidelijk: een ontgrondingsplas zo dicht bij Natura 2000 is niet logisch en moet veel grondiger worden onderzocht als nu is gebeurd. Verder stelt Weert te weinig eisen aan de natuur van de CZW plas zelf: de natuur is verwaarloosd.
En dit zou dan een compromis met de natuurverenigingen moeten zijn.....

Weert offert bovendien wel erg veel natuur op aan recreatie, waar we overigens niets op tegen zouden hebben als het geen intensieve recreatie zou zijn (pretpark idee) middenin de natuur. Bovendien wijst alles erop, dat er nog veel meer staat te gebeuren in het gebied: de CZW heeft gratis en voor niets het alleenrecht op verblijfsrecreatie (huisjes enzo) gekregen voor het hele gebied tussen de ontgronding en de Tungelroyse Beek en Kruispeel. Dat is natuurlijk niet zonder reden.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen hier toch maar even goed rekening mee houden !!
 
Dus, als je wat tijd hebt, ga er eens rustig voor zitten en lees onze zienswijze.
Groetjes,   Frans.

Zienswijzen ontwerpbesluit van Gedeputeerde Staten van Limburg: Ongrondingswet en Natuurbeschermingswetvergunning

Besluit d.d. 17 maart 2016, zaaknummer 2014-0216 en 2015-0705

Aan College van Gedeputeerde Staten Limburg, Postbus 5700, 6202 MA Maastricht

Geacht college

Bij deze dienen wij zienswijzen in tegen het in de aanhef genoemde ontwerpbesluit.

Vanwege de nauwe verwevenheid van de ontwerpbesluiten inzake de Ontgrondingswet en de Natuurbeschermingswet in kwestie zijn de teksten van beide zienswijzen gelijk.

In ons stuk worden de kernpunten van de zienswijze aangegeven met het markeringsteken – .

In de tekst tussen de gemarkeerde kernpunten geven wij nadere uitleg.

 

Als Ecologische Werkgroep Weert Zuid zijn wij eind okt 2012 via het “Biodiversiteitsmeterproject” op uitnodiging van gem. Weert en CZW betrokken geraakt bij de CZW. Het doel van dit project was: “Het verhogen van de biodiversiteit tijdens en na de werkzaamheden samen met natuurkenners en burgers uit de omgeving”. Als belangrijk punt van aanpak werd genoemd: “samen met lokale natuurkenners en natuurorganisaties kansen benoemen en vertalen naar maatregelen”.

Onze inbreng in dit project was groot. Wij hebben het hele gebied waarin werken ten behoeve van de zandwinning werden of waren uitgevoerd, vlakdekkend geïnventariseerd op flora. Dit hebben we drie achtereenvolgende jaren gedaan: zomer 2013 t/m 2015. Ons niveau op gebied van flora inventariseren, met name van de zeer specifieke flora die bij deze gebieden hoort, ligt op professionele hoogte. In de wintermaanden hebben wij beheerwerkzaamheden uitgevoerd voor het behoud van de zwakgebufferde poelen in de bosstrook langs de Zuid Willemsvaart /Lozerweg. Hierbij hebben wij ook IVN en een scoutingploeg en het waterschap ingeschakeld. Enkele poelen zijn geschoond, en een behoorlijk aantal bomen eromheen zijn gekapt. We hebben er prettig gewerkt. Wel is het waarschijnlijk goed om erbij te vermelden dat dit alles vrijwilligerswerk was, waar geen vergoeding tegenover stond.

Na het winterseizoen van 2014/2015 was het voor ons duidelijk dat deze klus voor ons als vrijwilligers te groot was. Daarvoor is de natuur op het CZW terrein teveel verwaarloosd en kunnen wij zelf te weinig mensen bij elkaar krijgen. We hebben toen aan de CZW voorgesteld een professionele kracht in te schakelen of daarvoor vrij te maken, om in samenwerking met ons - op basis van onze kennis van natuurbeheer en van onze inzichten vanuit ons inventariseerwerk – aan het noodzakelijk natuurbeheer en natuurontwikkelingswerk tijdens de ontgrondingswerkzaamheden uitvoering te geven. Deze persoon zou de noodzakelijke arbeid moeten coördineren en indien nodig aantrekken. Zover is het nooit gekomen.

- Hetgeen ons brengt bij het punt van onze zienswijze dat hieruit voortvloeit: het opnemen in de voorschriften dat er tijdens de ontgrondingswerkzaamheden maximaal vorm gegeven moet worden aan natuurbeheer en natuurontwikkeling, zowel in relatie tot de tijdelijke situatie als in relatie tot de eindsituatie en zowel binnen de concessiegrens als daarbuiten, voor zover gebieden tot de verantwoordelijkheid van de CZW gerekend kunnen worden. Onafhankelijke toetsing lijkt ons te kunnen liggen bij de natuurverenigingen. Beschrijving van de handhaving lijkt mij meer uw terrein.

- in zijn algemeenheid zijn wij van mening dat de handhaving op vele fronten beter geregeld dient te worden. In de overeenkomsten missen wij handhaving en de uitwerking daarvan als vanzelfsprekend onderwerp.

Onze aandacht gaat ten aanzien van natuurbeheer zeker uit naar de poelenstrook langs het kanaal met daarin enkele vennen die ontstaan zijn door kanaalkwel en waarin zich de bijzondere biotoop van de zwak gebufferde vennen heeft ontwikkeld met planten van het Oeverkruidverbond als Stijve moerasweegbree en enkele zeer bijzondere kranswieren. De strook was daarom voorbestemd om aangewezen te worden als N2000 natuur. Op verzoek van CZW is het echter niet zover gekomen. De strook is echter wel ingekleurd als goudgroene natuur. Naast achterstallig onderhoud speelt hier zeker verdroging, omdat de kanaalkwel te snel wordt afgevoerd naar de zandwinningsplas plas. Waarschijnlijk komt hier recentelijk bovenop een verminderde doorlaatbaarheid van de kanaaldijk door werkzaamheden van Rijkswaterstaat (nieuwe damwand en aanvulling met specie). Onderzocht zal moeten worden hoe de kanaalkwel functioneert, en hoeveel kwel er is. Bekeken kan worden of er in het hoge gedeelte bij de inlaat aan de Herenvenneweg water naar de rand zone ingelaten kan worden via het daar aanwezige greppel en rabattensysteem.

Blijft een feit, dat CZW zich hier niet als een goed rentmeester heeft opgesteld, en dat wij het beheer, nu de eindafwerking op zich zal laten wachten, graag anders geregeld willen zien.

- noodzakelijk lijkt, de instandhoudingsplicht van de bosstrook met de zwak gebufferde poelen vast te leggen als onderdeel van de overeenkomst.

- Overigens zijn wij van mening, dat alvorens aan de nieuwe ontgronding c.q. uitbreiding van de ontgronding kan worden begonnen, voor zover als mogelijk eerst de inrichtingswerkzaamheden van de ontgronding fase 1 afgerond dienen te worden, inclusief de werkzaamheden die behoren bij optimaal beheer van de natuur die valt onder de verantwoordelijkheid van de CZW.

Aanleiding tot dit punt van de zienswijze is, dat het merendeel van de natuurinrichting van de eerste fase nog niet, of onvoldoende, of kwalitatief onvoldoende is uitgevoerd.

Behandelen wij eerst het feit, dat een gedeelte van de natuurinrichting van de eerste fase kwalitatief onvoldoende is uitgevoerd.

Het betreft met name het gebied tussen de poelenstrook langs het kanaal en de plas. Hier is een plas-dras situatie gecreëerd. Het idee is goed, en de afdeklaag met opgebrachte grond uit Sarsven en de Banen heeft zaden van de flora meegenomen die in de zwak gebufferde situatie ter plaatse prima past en die dan ook prima tot ontwikkeling is gekomen. Echter, de afdeklaag is te dun en de ondergrond is ongeschikt (kanaalslib). In en langs de uitgegraven slufter welt het zwarte kanaalslib op, bv. bij betreding. De in eerste instantie bijzondere flora wordt nu weggedrukt door Pitrus, een soort die overal voor problemen zorgt waar de grond te fosfaatrijk is, terwijl de stikstof naar normale proporties teruggaat. Door de ondergrond van te fosfaatrijk kanaalslib zal er geen omslag in de ontwikkeling plaatsvinden. Tot in lengte van dagen zal hier triviale pitrusnatuur blijven overheersen.

Verder uit de oever zijn eilandjes en schiereilandjes aangelegd. Deze steken te hoog boven de waterspiegel uit, ongeveer 80 cm. (dit volgens berekening met gemiddeld hoogste en laagste standen, opgaaf standen CZW). De flora beperkt zich hier tot slechts enkele soorten. Bovendien is hier bos aangeplant. Op oevers dient men zich te onthouden van bosaanplant. Boscompensatie dient voldoende ver van waterpartijen te blijven.

- Wij zijn van mening dat de natuurinrichting fase 1 hier onvoldoende is uitgevoerd en dat herstelmaatregelen moeten worden getroffen in de zin van verlaging van de eilandjes, en afgraving van het onder de deklaag aanwezige kanaalslib tot aanvaardbare diepte.

Er moet nog veel grond worden aangevoerd om (natuur)oevers te realiseren. Immers, de hellingshoek waarin ontgrond is, is steiler dan de hellingshoek waarmee de plas opgeleverd moet worden.

- Wij dringen er sterk op aan in de vergunningen vast te leggen aan welke eisen de aan te voeren grond moet voldoen.

- In hoeverre menging van aangevoerde grond mag plaats vinden, dient opgenomen te worden in de vergunningen.

- Tevens dringen wij er op aan om nauwkeurig de eisen te omschrijven waaraan de gelaagdheid van de aanvulling moet voldoen. Nutriëntrijke grond en min of meer verontreinigde grond die toch voldoet aan de wettelijke normen, zal zodanig gestort moeten worden, dat er geen verspreiding van de schadelijke stoffen zal plaatsvinden.

- Als toplaag zal voedselarm zand uit de lagen onder de toplaag van de zandwinning gebruikt moeten worden. Indien toe wordt gestaan om nutriëntrijke grond in de plas te storten, zullen deze nutriëntrijke lagen bij landbodem tot minimaal een meter onder de laagste grondwaterwaterstand aangebracht mogen worden, bij waterbodem tot minimaal een meter onder waterbodem. Het is aan te bevelen onafhankelijke deskundigen hierover verder te raadplegen.

Ten aanzien van nog niet of onvoldoende uitgevoerde natuurinrichting kunnen we opmerken dat veel inrichtingswerken van de eerste fase van de ontgronding waren bedoeld als natuurontwikkeling en voor extensief recreatief medegebruik van de ontwikkelde natuur. Deze werken waren bedongen als maatschappelijke compensatie.

Op dit moment liggen er andere plannen voor het gebied op tafel. Dit maakt het vooralsnog niet logisch om uitvoering te geven aan al de inrichtingswerken van de eerste fase. Dit betekent echter niet, dat de maatschappelijke compensatie voor de eerste fase zomaar kwijtgescholden zou kunnen worden. Dit lijkt nu echter wel te gebeuren. De overeenkomsten zoals indertijd afgesloten blijven echter juridisch geldig.

Zowel in de realisatievergunning van gem. Weert als in de vergunningen van Gedeputeerde staten van Limburg vinden wij echter niets terug over dit onderwerp.

- Het nog niet gerealiseerde gedeelte van de maatschappelijke compensatie van de eerste fase van de ontgronding dient, voor zover deze niet uitgevoerd is of gaat worden, beschikbaar te blijven als maatschappelijke compensatie, en gereserveerd te worden voor projecten die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het niet uitgevoerde deel van deze maatschappelijke compensatie.

- Van de maatschappelijke compensaties van de eerste fase dient een deugdelijk overzicht gemaakt te worden, naar analogie van het overzicht dat voor de tweede fase van de ontgronding is gemaakt. Wij denken bv. aan punten als de realisatie van de plas dras met vijvers, en aan het opzij zetten en terugbrengen van de teellaag, enz.

- Om een en ander overzichtelijk, vergelijkbaar en uitrekenbaar te maken, dient de maatschappelijke compensatie zoals overeengekomen voor de eerste fase en voor zover dit niet reeds in de realisatieovereenkomst eerste fase is gebeurd, uitgedrukt te worden in financiële cijfers. Ook de reeds uitgevoerde compensatie dient uitgedrukt te worden in financiële cijfers, en kan vervolgens afgetrokken worden van het eerste bedrag. Het bedrag dat overblijft is het te reserveren bedrag.

- Indien er maatschappelijk compensaties van de eerste fase zouden worden kwijtgescholden, dienen deze in mindering te worden gebracht op de compensatie van de tweede fase. Het laat zich aanzien dat het daarbij gaat om aanzienlijke bedragen, waardoor de maatschappelijke compensatie van beide fases tot op onacceptabel niveau verlaagd zal worden

Wij signaleren daarbij wel, dat de maatschappelijke compensatie voor de tweede fase van de ontgronding in de voorliggende realisatieovereenkomst op enkele punten de maatschappelijke compensatie van de eerste fase overlapt (bv. gedeelte van de voet- en wandelpaden).

- De maatschappelijke compensatie voor de tweede fase dient gecorrigeerd (verminderd) te worden met de maatschappelijke compensatie die reeds overeengekomen was voor de eerste fase.

- Gezien de moeilijkheidsgraad raden wij dringend aan om financieel deskundigen (van buiten!) in te schakelen om het financiële plaatje van de beide maatschappelijke compensaties op een correcte en begrijpelijke wijze uit te werken.

- Er zijn meer punten die door een heldere financiële benadering inzichtelijk gemaakt zouden moeten worden.

Voor de onduidelijke relatie tussen de hoeveelheid gewonnen zand en de maatschappelijke compensatie, verwijzen wij graag naar de zienswijze van de Natuur en Milieufederatie Limburg. Wij zullen dit punt daarom niet verder behandelen.

Een lastig punt dat wij ook willen behandelen is, dat er voor de eerste fase van ontgronding ingrijpende maatregelen voor natuurcompensatie overeengekomen is in de vorm van een plas-dras realisering aan de westkant van de ontgronding. Daarmee werd beoogd hoogwaardige N2000 natuur te realiseren. Hierdoor hoefde het te compenseren bosoppervlak niet vermenigvuldigd te worden met een factor 1.66, zoals wettelijk vastgelegd.

In fase twee vervalt echter de hoogwaardige natuur die beoogd werd weer. Er wordt gecompenseerd met natuur elders (bos en graasweides voor runderen). Deze kan echter niet wedijveren met de hoogwaardige natuur die niet meer wordt gerealiseerd. Het aantal hectares natuur blijft echter wel daaraan gelijk. Zodat daarmee de compensatiefactor 1.66 kwijtgescholden lijkt te worden.

- De oppervlakte van de bos en natuur compensatie moet met terugwerkende kracht losgemaakt worden van de niet gerealiseerde waardevolle natuurplassen met plas-dras en de berekeningswijze met de factor 1.66 dient hersteld en toegepast te worden.

De tussenfase met de waardevolle natuurplassen schept wel een mogelijkheid om een ander probleem op te lossen. Er is namelijk een probleem met het feit dat boscompensatie ook concreet moet bestaan uit bos, terwijl bos een natuurtype is dat in de omstreken van de CZW lastig te realiseren is. De hoogwaardige natuur rond Weert is N2000 waardig en bestaat uit doorstroommoerassen met daarin zandige hoogtes met psammofiele heide.

- De tussenfase niet-bos natuur, namelijk plas-dras natuur, schept ons inziens de mogelijkheid te compenseren met niet-bos-natuur.

In het ontwerpbesluit ontgrondingsvergunning wordt de boscompensatie buiten de vergunningsgrens omschreven en vastgelegd (H 3.4 Voorschriften) op de locaties Heltenbosdijk en Vetpeelweg. Op beide locaties is bos gezien de geomorfologie van de gebieden niet bepaald de juiste natuurdoelstelling. De locatie Heltenbosdijk is een open voormalig doorstroommoeras en de locatie Vetpeel (zie naam!) was een natte heide. Bovendien is boscompensatie op deze locaties in strijd met het bestemmingsplan en/of met de Natuur en landschapsvisie.

- hoewel ik de bedoeling van de provincie begrijp en waardeer, lijkt vaststelling in de vergunning van de plaats van de bos- en natuurcompensatie niet de juiste weg, omdat op deze manier gemeentelijke procedures gedwarsboomd worden. Overigens: de mogelijkheid van realisering van niet-bos natuur zou de problemen doen verdwijnen.

Op een andere, nog fundamentelere manier verbaast ons de locatie waar de bos en natuurcompensatie gepland wordt.

Voor de hand liggend is natuurcompensatie te realiseren in aansluiting op de ontgrondingslocatie en aansluitend aan de hoogwaardige N2000 natuur van de Kruispeel. Bij de eerste fase van de ontgronding is er in die richting gedacht. Naast de beoogde realisering van de plas-dras situatie, is er op de tekeningen een forse lap grond grenzend aan de Tungelroyse beek aangegeven met de letter D. Overeengekomen was, dat bij aankoop van deze gronden de CZW zorg zou dragen voor afgraving van de teellaag waardoor het Kruispeelgebied een forse uitbreiding zou ondergaan. Het gaat hierbij om toenmalige EHS gronden die nu als goudgroen zijn ingekleurd, maar tot op heden in gebruik waren als agrarische gronden.

- uitgezocht dient te worden of de aankoop en inrichting van gebied D bedoeld was onderdeel te zijn van de maatschappelijke meerwaarde ten behoeve van de eerste fase, of dat de maatschappelijke meerwaarde van dit perceel slechts bestond uit het realiseren van de inrichting door CZW nadat aankoop voor natuur door derden gerealiseerd zou zijn. (voor D zie bijlage)

- ons dringende voorstel is te om bekijken of natuurontwikkeling die voortvloeit uit zowel de realisatieovereenkomst van fase 1 als uit die van fase 2 kan landen tussen het concessiegebied en Kruispeel /Tungelroyse Beek. Hierdoor kan de N2000 natuur uitgebreid worden (uitbreidingsdoelstelling Zwak gebufferde vennen) alsmede kan hier een klimaatbuffer gerealiseerd worden.

Een en ander lijkt mogelijk gemaakt te worden, omdat de aankoop van perceel D inmiddels is gerealiseerd door Stichting Ark. Daarbij mag aangenomen worden, dat dit een aankoop ten behoeve van de natuur is. Ark heeft die opdracht vanuit de provincie, en het perceel is momenteel ingekleurd als goudgroen. Opgemerkt mag worden dat een en ander op datum vergadering gemeenteraad voldoende afgerond was om ervan uit te mogen gaan dat een en ander zo goed als rond was. De gemeenteraad is hier echter niet van op de hoogte gesteld. Ze was daarmee ten aanzien van de realisatieovereenkomst dan ook niet in de mogelijkheid in te spelen op deze en parallelle aankopen.

Naast deze aankoop heeft Ark nog meer grond rond het Straalbedrijf en tevens het Straalbedrijf Cuijpers zelf aangekocht. Ook de CZW zelf heeft gronden aangekocht, met name de gronden tussen gebied D en de Heihuisweg. Het gebied is daarmee grotendeels eigendom van CZW en Stichting Ark.

Hoewel grootschalige recreatieontwikkeling niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan, evenmin als met de Structuurvisie 2014, heeft CZW voor al deze gronden een voorkeursrecht voor recreatie bedongen. Gemeente Weert en CZW zijn overeengekomen, dat als door derden verblijfsrecreatieve ontwikkelingen geëntameerd worden, daarvoor een restrictief beleid gevoerd zal worden. Zelfs zal de gemeente geen planologische medewerking verlenen aan zulke ontwikkelingen (punt 18 realisatieovereenkomst).

Wij nemen niet aan, dat de CZW belang heeft bij extensieve recreatie. Er lijkt hier een voorschot op de toekomst genomen te zijn.

- uitgezocht dient te worden welke belangen gediend zijn bij het voorkeursrecht voor recreatie aan de CZW.

- Dit voorkeursrecht overstijgt in waarde vele malen de waarde van de overeengekomen maatschappelijk compensatie. De waarde van het gegunde voorkeursrecht dient verrekend (afgetrokken) te worden van de maatschappelijke compensaties van beide fases van de ontgronding. Dit geeft als waarschijnlijk resultaat, dat er geen, of mogelijk zelfs negatieve maatschappelijk compensaties aan orde zijn. Dit is in schrille tegenspraak met de provinciale regels over dit onderwerp.

- Bovendien is mogelijk de vreemde situatie ontstaan, dat daarbovenop de CZW de inrichting voor haar toekomstige recreatie projecten mag rekenen als maatschappelijke compensatie. Ook dit is niet in overeenstemming met het doel van maatschappelijke compensatie.

- Een dergelijke constructie schijnt zich overigens al aan het voltrekken te zijn, omdat, zoals nu voorgesteld, CZW de exploitatie van de outdoor recreatie mag gaan uitvoeren. De benodigde inrichting hiervoor wordt daardoor ten onrechte beschouwd als maatschappelijke compensatie.

Wijzend op deze punten, willen wij nogmaals en met klem aandringen op het inschakelen van financiële deskundigen.

In de periode dat wij met de CZW in overleg waren over gedeeltelijke professionalisering van natuuronderhoud en inrichting, werden ons de plannen medegedeeld voor een nieuwe ontgrondingsplas. Toen nog in de – onjuiste - overtuiging dat wij op hoofdlijnen mee zouden kunnen denken over deze plannen, en omdat wij altijd proberen te denken in termen van win–win situaties, heb ik op onmiddellijk voorgesteld de inrichting van de ontgronding zo te maken dat er een droge ecologische verbinding naar het gebied aan de overzijde van het kanaal gerealiseerd zou kunnen worden. Ons inziens hoeft dit geen groot ecoduct te zijn, en er kan gecombineerd worden met een recreatieve verbinding. Een wandel-fiets-paard-koets verbinding zou genoeg kunnen zijn, omdat met name de kleinere beestjes van het droge zand hun weg waarschijnlijk al kunnen vinden via het zand van het koetspad. De belangrijkheid van deze locatie voor een droge ecologische verbinding is groot: een andere locatie is niet aanwezig. Aan de ene kant van het kanaal ligt hier de Boshoverheide met zijn duizenden jaren oude heide-stuifzand-natuur, daterend uit de tijd dat hier de grafheuvels werden aangelegd. De begrenzing van het droge en het natte gebied wordt hier bepaald door de zogeheten “Defensiedijk”, die pal tegenover de zandwinning ligt. Aan de CZW-kant van het kanaal liggen de droge stapstenen in de doorstroommoerassen van het Kempenbroek. De dichtstbijzijnde stapsteen wordt gevormd door het Lauragebied.

Een verbinding over het kanaal moet zes meter boven het kanaalwater niveau liggen. Dat neemt met zich mee dat er een redelijk lange aanlooproute nodig (100 mtr) nodig zal zijn, die ook moet passen bij de mogelijkheden die redelijkerwijs van paarden verwacht kunnen worden. Deze aanlooproute moet gunstig gesitueerd zijn ten opzichte van de droge(re) doorgang richting Laurabossen aan de zuidzijde van het huidige Straalbedrijf. De route zal daarom aan de westkant van de ontgronding gepositioneerd moeten worden. In het huidige ontwerp is daarvoor geen ruimte ingepland.

Op al de plannen en tekeningen over de gebiedsinrichting, óók in de plannen en de tekeningen van de structuurvisie, en óók in de tekening van het “compromisvoorstel” zoals goedgekeurd door de gemeenteraad t.d.v. 1 okt. 2015, (zie bijlage) wordt aangegeven dat hier een verbinding over het kanaal moet komen. Deze moet in de praktijk echter ook uitvoerbaar zijn en blijven. Met de plannen en planvormingen van de zandwinningplas moet daarom met deze verbinding rekening worden gehouden.

- Zodat wij als punt van onze zienswijze naar voren willen brengen, dat in het huidige ontwerp een recreatieve en droge ecologische verbinding over het kanaal op de meest logische plaats daarvoor binnen of net buiten het concessiegebied opgenomen dient te worden. De meest voor de hand liggende werkwijze is, om in ieder geval de grondwerken daarvoor in de afwerkingsfase van de ontgronding uit te voeren.

- In relatie tot de Natuurbeschermingswet zullen de gevolgen voor de N2000 gebieden bekeken moeten worden. Mogelijk kan een dergelijke “dijk” min of meer functioneren als waterkering tussen ontgronding en N2000 gebied. Eveneens kan een dergelijke lichaam functioneren als duidelijke grens van de ontgronding: tot hier en niet verder.

- Toegezegd is tijdens de betreffende gemeenteraadsvergadering dat de voorliggende ontgronding definitief de laatste ontgronding aan of rond deze locatie zou zijn. Wij missen een dergelijke clausule in welk voorliggend besluit dan ook, en zouden dit graag in de vergunningen vastgelegd willen zien.

Het lijkt overzichtelijk een volgend onderwerp voor onze zienswijze bij dit punt aan te laten sluiten: wordt het één ontgrondingsplas of worden het twee ontgrondingsplassen.

Misschien ten overvloede is het goed erop te wijzen, dat er in de periode tussen de beide gemeenteraadsvergaderingen waarin de realisatieovereenkomst behandeld is (8 juli en 1 okt. 2015), er tussen de natuurverenigingen, de CZW en de gemeente Weert, vertegenwoordigd door hun ambtenaren, geprobeerd is met elkaar tot overleg te komen. Daaruit is een “compromis” te voorschijn gekomen. Weliswaar zouden wij als natuurverenigingen dit nauwelijks een compromis willen noemen, maar de weinige goede punten voor de natuur willen wij toch graag overeind houden.

Onderdeel van het “compromis” was, om de twee gescheiden plassen niet als zodanig te handhaven, maar om uit te gaan van één grote plas. De ecologische rapporten die wij over dit onderwerp hadden bestudeerd, wezen voor de ecologisch beste situatie in de richting van één grote plas met een zo groot mogelijk oppervlak in relatie tot de diepte, met bovendien een variatie in de onderwaterinrichting. Een diepe put in een grote plas is volgens onze huidige informatie positief voor de onderwaterecologie. Daarentegen heeft de diepe duikplas als op zichzelf staande put in het huidige ontwerp fase twee geen enkele ecologische betekenis.

Dit plan is gepresenteerd aan de gemeenteraad. In plaats van twee gescheiden plassen is één grote plas voorgesteld, visueel gescheiden door een tweetal drijvende eilanden, (waarvan de haalbaarheid en de ecologische functie overigens nog verder bekeken zou worden). Dit ontwerp is door de gemeenteraad aangenomen!

Ook aan u als provincie is dit plan toegestuurd. In de door u ontvangen aanvullende gegevens is deze tekening opgenomen (zie Verzoek aanpassing aanvraag Ontgrondingenvergunning 18 november 2015 pdf-blz. 55 ).

- Het is onze standpunt dat in plaats van twee gescheiden plassen, op basis van besluitvorming in de gemeenteraadsvergadering van 1 okt. 2015, uitgegaan moet worden van één grote aaneengesloten plas.

- In de onderhavige vergunningen dient dit punt aangepast te worden en dienen de consequentie onderzocht te worden.

- Bekeken dient daarbij te worden of de nieuwe plas een zelfstandige ontgronding is, kleiner dan 25 hectares, of dat hij gewoon een uitbreiding is van de bestaande ontgronding.

- De duikplas dient qua plaats en ontwerp dusdanig ontworpen en gesitueerd te worden dat hij zowel voor duiken als voor de natuur een functie vervult. Er mag van worden uitgegaan, dat het plan voor fase twee daaraan niet voldoet.

- Verder waren wij in de gesprekken in aanloop naar het “compromis” overeen gekomen, dat een onderwaterecoloog, gespecialiseerd in diepe plassen, een advies zou kunnen uitbrengen over de onderwaterinrichting van de CZW plassen, teneinde een inrichting te krijgen die een zo hoog mogelijk ecologische waarde zou kunnen waarborgen. Ook dit punt hadden wij graag in de vergunning opgenomen willen zien.

Bij de voorbesprekingen zoals reeds genoemd, is ter sprake gekomen om de duikplas te lokaliseren aan de Herenvenneweg. De huidige werklocatie zou als uitvalsbasis kunnen dienen. Een diep gedeelte (put) ergens in de grote plas stuitte toen bij de duikers niet op doorslaggevende bezwaren. Ook de stankcirkel van de dichtbijgelegen fabriek Componenta is op duikersactiviteiten niet van invloed. Voor de ontgronder zal de locatie van de duikplas onbelangrijk zijn. Op alle locaties is op deze diepte geen sprake van vermarktbaar zand (opgave CZW). Het zand is echter wel zeer geschikt als aanvulling van de oevers, waardoor er geen vulgrond aangekocht hoeft te worden. Dit voordeel blijft voor de ontgronder op alle locaties aanwezig.

- Wij raden aan de locatie voor de duikers te realiseren vanaf de Herenvenneweg, naast het dagstrand, maar wachten graag het advies van de onderwaterecoloog af.

Over de duikplas valt nog meer te zeggen. Zoals hij nu wordt voorgesteld, moet het een opleidingsplas worden die landelijke bekendheid gaat genieten. Of hier behoefte aan is, is nog nooit onderzocht. We hebben enkele duikers uit andere andere delen van Nederland gehoord. Zij kunnen zich niet voorstellen dat er behoefte is aan een diepe zandkuil als duikplas, en verwachten dan ook niet dat er veel animo voor zal zijn. Als opleidingsmogelijkheid zullen enkele duiken volstaan, waarna natuurplassen vele malen interessanter zullen zijn. Het is dan jammer als er veel (compensatie) geld aan een dergelijke duikput zou worden besteed.

Maar stel dat de verwachting wel zou uitkomen en er forse belangstelling zou zijn niet allen vanuit de regio, maar nota bene vanuit heel Nederland, dan correspondeert dit niet met de bedoeling van de Structuurvisie 2014. Daarbij werd immers niet gemikt wordt op dergelijke intensieve recreatie, waarbij geen sprake meer is van hoofd en nevengebruik, maar slechts van alleengebruik door duikers, al dan niet in opleiding.

- Het is vanuit de structuurvisie en provinciale plannen niet de bedoeling een duikactiviteit te realiseren die geen relatie heeft met de natuurfunctie van het gebied.

- Het is onze mening dat de verwachte bezoekersaantallen niet gehaald zullen worden voor een duikplas zoals nu bedoeld. Er zal dan veel compensatiegeld en natuur voor niets opgeofferd zijn. Stel echter dat de bezoekersaantallen wel gerealiseerd worden, dan praten we hier over intensieve recreatie. Deze ruimte lijkt niet geboden te worden in de structuurvisie.

- Echter, als er volgens plan inderdaad grote hoeveelheden duikers komen, dan is onvoldoende bekeken wat de gevolgen zijn van een dergelijke recreatieve voorziening in de directe nabijheid van een N2000 gebied. Een dergelijke intensieve voorziening zal bekeken moeten worden vanuit de Natuurbeschermingswet, en dat is niet of onvoldoende gebeurd. Er wordt bv. niet gesproken over aantallen gebruikers en over verkeersbewegingen al dan niet in relatie met de PAS.

Hetgeen ons brengt aan het volgende onderwerp: Outdoor activiteiten met “zandplaats” aan de Heihuisweg, inclusief horeca gelegenheid en groepsaccomodatie.

Wij kunnen dit niet anders benoemen dan als intensieve recreatie. Wij zijn niet principieel tegen recreatie in of bij een natuurgebied. Wij zijn echter tegen intensieve recreatie die hier zelfs in de richting gaan van pretpark recreatie. Er wordt al gesproken over het houden van evenementen.

- Outdoor activiteiten aan de Heihuisweg zijn niet in overeenstemming met de structuurvisie.

- Ook is onvoldoende rekening gehouden met de Natuurbeschermingswet. Onvoldoende is onderzocht wat de precieze bedoeling is van de CZW, om welke aantallen het gaat en wat de impact volgens de gestandaardiseerde normen van de natuurbeschermingswet is op het N2000 gebied. Te gemakkelijk wordt gesteld dat alles zich afspeelt buiten het N2000 gebied, en dat er daardoor geen consequenties zijn. Mogelijke consequenties zouden onderzocht en beoordeeld moeten worden.

- Al de intensieve recreatie activiteiten kunnen het beste gecentreerd worden aan de rand van het recreatie gebied, aansluitend aan dagstrand en de door ons voorgestelde duiklocatie. Daardoor ontstaat er een geleidelijke overgang van drukke recreatie naar rustige recreatie.

De grootste belemmering om al de intensieve recreatie met bijbehorende voorzieningen te concentreren aan de Herenvenneweg lijkt te zijn, dat deze locatie valt onder de stankcirkel van “Componenta” op de hoek van Herenvenneweg, Lozerweg en Zuid Willemsvaart. Op de klankbordgroep is daarover gepraat. Er is bij de gemeente op aangedrongen om haar uiterste best te doen om te bekijken of er mogelijke oplossingen zouden zijn voor dit probleem. Opvallend was dat er in eerste instantie een bericht was over een vertrek van Componenta, maar dat enige tijd later gezegd werd dat Componenta toch zou blijven. Aandringen op vertrek van Componenta opent ook de mogelijkheid van concentratie van horeca en verblijfsrecreatie op deze locatie.

De locatie aan de Herenvenneweg achten wij zeker geschikt voor het spelen van een rol op recreatiegebied. De locatie lijkt ons geschikt als pleisterplaats voor extensieve recreanten als wandelaars, fietsers, ruiters en hun paarden en menners met hun (koets)paarden. Daaraan mag dan overigens geen verblijfsrecreatie gekoppeld worden.

Naast de punten in vorenstaande, waarbij de Ontgrondingswet haast ongemerkt overliep naar de Natuurbeschermingswet als voorwaarde voor de Ontgrondingswet, willen wij graag enkele punten behandelen waarvan de aard meer expliciet is.

Op de eerste plaats het risico van verdroging van het N2000 gebied Kruispeel.

# Het is niet allen de Kruispeel waarvoor er risico bestaat voor verdroging. Dit risico bestaat ook voor de aan de overzijde van De Zuid Willemsvaart gelegen zone met zwak gebufferde vennen.

Voor de kwelstrook aan de noordkant van de Zuid Willemsvaart kunnen we er immers van uitgaan, dat de aanzuigende werking van de ontgrondingsplas – die op het niveau van het eerste watervoerend pakket ligt en bovendien lager dan het kanaal ligt - , niet alleen geldt voor het kwelwater dat aan de CZW kant uit het kanaal kwelt, maar dat dit ook geldt voor het water dat aan de onderkant uit het kanaal kwelt. Waardoor er dus naar alle waarschijnlijkheid ook een verdrogende werking zal zijn op de N2000 habitat aan de noordzijde van het kanaal.

Dit punt komt nergens in het stukken naar voren.

# Gesteld wordt, dat er 2 m3 water per dag per strekkende meter uit het kanaal kwelt. Nergens in de aan de provincie aangeleverde stukken is hier een berekening van te vinden. Deze hoeveelheid uittredend water lijkt ons erg veel, zeker als hier bedoeld zou worden dat dit per kanaalkant zou gelden. Dat zou immers 4 m3 per strekkende meter kanaal betekenen. Bovendien zijn er recent nieuwe damwanden in het kanaal geplaatst, die ook nog eens zijn aangevuld met weinig doorlatende specie. Deze veranderingen zijn niet meegenomen in de berekening van 2 m3 per dag per strekkende meter. Ondanks de vraagtekens die gezet kunnen worden bij het uitganspunt van 2 m3 per strekkende meter per dag, zijn al de berekeningen voor het waterbeleid van de tweede ontgrondingsplas wel hierop gebaseerd.

# Om de veronderstelde hoeveelheid kanaalkwel aan te vullen, zijn er opgaves gedaan over een aantal m3 water die een buffersloot zou moeten leveren via infiltratie om te garanderen dat er geen aanzuigende werking zal plaatsvinden op het freatische water van de Kruispeel (600 m3 van de 1600 m3). Ook hier worden de cijfers niet onderbouwd. Het plan lijkt sympathiek, en het is goed dat de provincie in deze bepaalt dat de ontgronding pas mag worden voortgezet als is aangetoond dat de waterbuffer infiltreert zoals bedoeld. Het lijkt ons echter dat er ook hogere eisen gesteld hadden moeten worden aan de hydrologische berekeningen.

# In de Kruispeel staat een groot aantal peilbuizen. Ondergetekende heeft ze jarenlang gepeild. Toen echter het Waterschap Peel en Maas in samenwerking met zinkfabriek Nyrstar en Deltares /TNO onderzoek deed naar het zwart slib, moesten nog een hele reeks (raai) peilbuizen bijgeplaatst worden. Waarmee het aantal peilbuizen op ongeveer 30 kwam. Rond de CZW plas staan slechts 4 peilbuizen, die naar ik begrijp bovendien dieper meten dan het freatische grondwater. Dit lijkt me wezenlijk te weinig.

# Verder zijn er vrij veel variabelen die een goede berekening lastig maken. Zo is de bodem van Tungelroyse beek hoger gelegd (verondiept) als anti verdrogingmaatregel. Daardoor heeft de beek minder wateraantrekkende invloed op het Kruispeel gebied. Deze maatregel is echter genomen toen de ontgrondingswerkzaamheden al aan de gang waren. In de rapporten die bijgeleverd zijn bij de ontgrondingsaanvraag wordt gesteld, dat het grondwaterpeil van de Kruispeel niet gedaald is tijdens de ontgrondingswerkzaamheden. Waarschijnlijker lijkt mij echter, dat het peil wel gedaald is ten gevolge van de ontgrondingswerkzaamheden, maar dat deze daling gecompenseerd is door de positieve invloed van de ophoging (verondieping) van de Tungelroyse beek. Daling en stijging hebben elkaar ongeveer in evenwicht gehouden.

# Het zijn niet alleen de peilbuizen waaruit conclusies te trekken zijn. Als florist kan ondergetekende conclusies trekken uit de aanwezigheid van soorten planten en hun conditie. De conclusie die hieruit te trekken valt is, dat het waterpeil in het gunstigste geval gelijk is gebleven. Waarschijnlijk is het echter enigszins gedaald. Bv. gaat de Snavelzegge achteruit door verdroging. Dit is een plant die met haar wortels in het water moet staan. Is hij eenmaal aanwezig, dan volgen zijn wortels nog wel enige tijd het grondwater. Het lijkt er echter op, dat de plant het grondwater niet meer kan bereiken, de plant leek te verdrogen. Een andere goede indicator is de N2000 soort Galigaan. Voor deze geldt hetzelfde verhaal. De N2000 doelstelling met deze soort is echter wel minimaal instandhouding. Galigaan leidt in de Kruispeel een noodlijdend bestaan. Voor de N2000 instandhoudingsdoelstelling moet hij meer water hebben dan nu nog in de Kruispeel aanwezig is.

# Er speelt in het gebied echter nog een andere variabele als mogelijke oorzaak: grondwaterdaling door aanzuigende werking van het GBS, het Grondwaterbeheerssysteem van Nyrstar. Om te verhinderen dat vervuild grondwater zich verder verspreid, pompt Nyrstar dat grondwater op en zuivert het. Dat oppompen heeft twee effecten op de hydrologie van de omgeving: een verdrogend effect en een verandering van de grondwaterstromen. Beide kunnen van invloed zijn op de Kruispeel. De verandering van grondwaterstromen kan invloed hebben op de CZW.

Voor zover wij weten zijn hier tot nu toe geen (diepgaande) onderzoeken naar gedaan. Mogelijk is Vereniging Natuurmonumenten hier nu mee bezig in het kader van het N2000 gebied. In de berekeningen over de invloed van de ontgrondingen op de Kruispeel hebben wij echter niets over deze invloeden kunnen vinden. De berekeningen zijn daarmee onvoldoende.

- Wij zijn van mening dat de problematiek van de hydrologie ten aanzien van CZW en de invloeden op N2000 natuur dermate ingewikkeld is, dat veel diepgaander onderzoek vereist is dan in het kader van de Ontgrondingsvergunning en de Natuurbeschermingswet is uitgevoerd.

- Wij geven in overweging deze onderzoeken te laten uitvoeren door Deltares, Waterschap Peel en Maasvallei en Vereniging Natuurmonumenten. Eerstgenoemden kunnen voortborduren op gedane onderzoeken in het kader van het “zwart slib”. Bij Vereniging Natuurmonumenten zijn mogelijk reeds onderzoeken aan de gang in het kader van N2000 gebied.

Het Flora en Fauna onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de ontgronding fase twee, is uitgevoerd in 2014 als een actualisatievan het flora en fauna onderzoek Centrale Zandwinning Weert van eerdere onderzoeken. Welke onderzoeken dat zijn is niet erg duidelijk, maar er lijkt in ieder geval aangesloten te worden op “Onderzoek beschermde flora en fauna ontwikkelingsopties Cuijpers /Beauchamps quickscan (Groen-planning Maastricht B.V, 2009)” Verder wordt geput uit door derden aangeleverde gegevens.

Ons inziens heeft dit onderzoek niet diepgaand genoeg plaatsgevonden. Met name heeft het broedvogelonderzoek niet plaatsgevonden volgens de landelijk gebruikelijke Sovon methode. Men is niet verder gekomen dan een quickscan, terwijl er voldoende gelegenheid was om een beter onderzoek te doen. Men heeft dit bv. ook niet aan ons gevraagd.

Met name de bosstrook langs de verbindingsweg naar het Straalbedrijf vanaf de Heihuisweg is een bosstrook met veel mogelijkheden voor beschermingscategorieën 1 tot en met 4. Gezien de biotoop en de situering behoren ons inziens Ransuil, Sperwer en Boomvalk tot de mogelijkheden. Akkervogels als Patrijs en Kwartel zullen er zeker gebruik van maken als schuilplaats en broedgelegenheid.

Bij de reptielen is het zeer onwaarschijnlijk is, dat de Levendbarende hagedis hier niet zou voorkomen. Het leefgebied is ideaal, maar de soort laat zich niet gemakkelijk “even” waarnemen.

Verder lijkt de houtopstand van wezenlijk belang als verbindingsroute voor vele soorten, niet alleen de genoemde vleermuizen. De houtwal ligt hoger dan de omgeving, zodat met name de soorten van de drogere gebieden van de route gebruik zullen maken. De route vormt de verbinding tussen de bossen van IJzeren man en die van Altweerterheide met de Laurabossen en de Kruispeel. Het weghalen van een dergelijke route heeft onmiddellijk versnippering ten gevolge. De bereikbaarheid van en verbondenheid met de N2000 gebieden zal aanmerkelijk verminderen. Om enkele soorten te noemen: kleinere zoogdieren als bv. Eekhoorn en marterachtigen zullen er zeker gebruik van maken, maar ook insecten als Blauwvleugelsprinkhaan en Krekel.

Het is niet voor niets dat het het voorstel was (en is) van de natuurverenigingen was om deze houtwal te sparen, en hem in te passen in als ecologische verbindingen.

De houtopstand heeft ook landschappelijke waarde. Ook nu het plan is om de ontgrondingsplas te vergroten, blijft dit van belang. De houtwal schermt zal visueel een gedeelte van de plas af kunnen schermen. Het is niet zo dat de plas past in het landschap omdat het landschap al open was. Het landschap op deze plek was en is een coulisselandschap.

- De gedane onderzoeken naar flora en fauna zijn ten aanzien zijn voor met name de bosstrook tussen Heihuisweg en het Straalbedrijf onvoldoende. Een voorkomen van een aantal beschermde vogelsoorten is waarschijnlijk. Dat de Levendbarende hagedis niet zou voorkomen is onwaarschijnlijk.

- Betreffende bosstrook is onderdeel van een belangrijke ecologische route richting de N2000 gebieden Kruispeel en Lauragebied. De Habitatrichtlijn (N2000) biedt de lidstaten de mogelijkheid om lijnvormige verbindingen en te beschermen om het Natura 2000-netwerk te versterken. Hierbij gaat het zeker om landschappelijke verbindingen, hetgeen hier het geval is.

- Wij zijn dan ook van mening dat de betekenis van de houtwal ecologisch gezien dermate groot is, dat hij gespaard dient te blijven.

Voor zover er in deze zienswijzen punten niet genoemd zijn, of onvoldoende zijn uitgewerkt, of te weinig juridische zijn uitgewerkt, sluiten wij ons gaarne aan bij de zienswijzen zoals o.a. ingediend door de Natuur en Milieufederatie Limburg.

Drs. Frans J.F. Smit

Ecologische Werkgroep Weert Zuid

3 mei 2016

Delbroekweg 3

6006 VA Weert

(0495 - 518280)